Tuchtigen hoeft niet, maar enige discipline...

Recensie

Zelfdiscipline en uitbestede discipline
Hoe we niets bereiken als we er ons niet
Op toeleggen

Marli Huijer. Discipline: Overleven in Overvloed. Uitgeverij Boom 2013(2014 2de druk) 274 pp. 21,90 €

Wie heeft al niet verzucht, dat het leven nu zo moeilijk te regisseren valt, dat we het moeilijk hebben om niet in overvloed te verzinken? Moeten we daarom afstand doen van die overvloed? Of moeten we veeleer verstandig leren om te gaan met de voorhanden zijnde overvloed? De vraag lijkt wat raar want wie zou er nu afstand doen van overvloed, iets wat mensen al in de middeleeuwen goed wisten te verbeelden?

Maar de verworven overvloed lijkt niet iedereen te plezieren en nog minder mensen een tevreden gevoel te geven. Maar er is ook ontevredenheid over wat we maar doen of over het feit dat we niet keihard genieten. De overvloed stelt ons voor vele keuzes die niet altijd even evident blijken, of waar we niet altijd vanzelfsprekend mee over de weg kunnen.  Marli Huijer poogt uit te leggen wat die overvloed betekent en hoe we daar gedisciplineerd mee zouden kunnen omgaan. Maar was discipline niet uitgerangeerd? Of beter, sommigen hebben de discipline als niet meer van toepassing voorgesteld, onder invloed van een filosoof, Michel Foucault, maar heeft Foucault in algemene, zeg maar absolute zin de discipline afgewezen? Het is een onderzoek waard, waarbij we ook naar Susan Neiman moeten grijpen en Ad Verbrugge, een van de hedendaagse filosofen, die we vanwege consideraties die we cultuurpessimistisch kunnen noemen, menen dat we erop achteruit gaan. Toch schrijft Verbrugge in zijn reflecties over Vijftig Tinten net dat Foucault niet zover wilde gaan om discipline als zodanig af te wijzen, maar wilde hij aantonen dat niet alle disciplinerende instanties even verheven boven (morele) twijfel stonden. Er waren vormen van discipline die we wellicht, zegt men, niet zouden moeten willen, zoals de zogenaamde Pruisische kadaverdiscipline. Maar het berust wellicht op een (gedeeltelijk) vertekende inschatting, want zoals Jacques A.A. van Doorn het beschreef, was het niet ondenkbaar dat mensen zich met veel (dienst-)ijver wilden inzetten voor het Rijk, de Führer… Niet te vatten voor ons en het zijn dan ook bladzijden in het essay van de socioloog Van Doorn die weinig aandacht hebben gekregen.

Het punt is dat wie iets bereiken wil best bereid is er zich voor te inzetten. Bovendien is het nog maar de vraag of bijvoorbeeld het memoriseren van leerstof alleen maar disciplinerend zou werken. Foucault wees daarom ook niet de disciplina af, maar vond wel dat we dienden te weten hoe kerk, patriarch en eventueel de Republiek waarden aandragen die we internaliseren, waarna we niet meer weten of het onze eigen normen zijn die we naleven of hanteren dan wel de normen die ons zijn voorgehouden. Het gaat niet enkel, ook niet voor Michel Foucault om normen die intrinsiek slecht of fout zijn, maar om te laten zien dat we ons gedrag niet vanzelfsprekend afstemmen op wat we zelf goed vinden. Daar gaat het om overdracht van generatie tot generatie, van ouders op kinderen – met de vader in de hoofdrol in de patriarchale rolverdeling – en van leraren, onderwijzers, oom agent en andere vertegenwoordigers van het gezag.

Foucault, zo laat ook Marli Huijer zien, heeft vooral een genealogie van de disciplinering laten zien, maar tijdens de eerste decennia na de oorlog eisten mensen meer en intenser hun recht op zelfbeschikking op, zoals bleek toen de contraceptieve pil op de markt kwam en vrouwen hun zelfbeschikking gingen vieren. Maar ook op vele andere domeinen zag men dat het gezag, ondanks eigen pretenties alles in handen te hebben, aan erkenning inboette. Wat de kerken betreft, kan men dat gemakkelijk aantonen. Maar ook het burgerlijke gezag kwam onder druk te staan, meer nog, dat gezag koos vaak voor een repressieve tolerantie. Herbert Marcuse muntte dit begrip om aan te geven dat in de (Duitse) media de houding van de media erin bestond evenveel aandacht te besteden aan slecht geïnformeerde niet linkse opinies waardoor een sfeer van neutraliteit ontstaan zou. Het gevolg is evident, in die visie dat repressieve tolerantie vanwege de overheid erin kan bestaan deviante opinies een plaats te geven en te neutraliseren. Peter Sloterdijk heeft in zijn Kritiek van de Cynische reden precies dat probleem opnieuw opgenomen, met de conclusie dat het al in de jaren 1980 het geval bleek maar niet de overheid was de beslissende instantie maar grote marktspelers. Alternatieve rockbands, eventueel heavy metal werden door grote spelers mee opgenomen, zonder ze daarom echt naar voor te schuiven als iconen. Of mogen we denken aan afgewassen jeans en andere accessoires van de grunge?

Uiteraard speelt in de epoche van de de-disciplinering de anti-autoritaire opvoeding een hoofdrol: kinderen bepalen het leerritme en de docenten, onderwijzers hebben zich te plooien naar de wensen van de kinderen. Dat vandaag ouders graag kiezen, althans in Vlaanderen, voor disciplinerende opvoeding- en leervormen, blijkt wel uit het overwicht van het Vrij Onderwijs dat in hoofdzaak katholiek is. Maar tegelijk zijn onderwijsdeskundigen er vol van nieuwe onderwijsvormen te ontwikkelen, die zowel inhoudelijk als vormelijk naar een anti-autoritaire benadering neigen. Mogen we hier zomaar domweg tussen gooien dat die mensen die een anti-autoritair model zeggen aan te hangen er geen tegenstanders van zijn dat kinderen onder de 18 geen drank meer zouden mogen gebruiken. Als dat geen autoritaire ingreep is.

Mevrouw Huijer legt uit dat het anti-autoritaire opvoedingsmodel niet iedereen lijkt te aan te spreken, maar dat de schade voor personen misschien te vaak desastreus heeft uitgepakt, moeten we toch niet uit het oog verliezen. Zij behandelt dit thema vooral als ze de overvloed bespreekt waarin we leven, want zij stelt vast dat we op vele vlakken met een onovertroffen aanbod te maken hebben. Voedsel? Obesitas en diabetes komen vaker voor. Arbeid? Wie werk heeft werkt zonder ophouden en zonder zichzelf grenzen te stellen. Seks? Ach, waarom zouden we ons inperken, maar is het wel zo dat wij altijd de wensen van de ander in rekening brengen? Bovendien is het zo dat economie altijd uitgaat van schaarste en op die manier, sinds de jaren 1970 en nadien een toenemende mate aan overvloed van alles heeft voortgebracht, van consumptiegoederen dan toch en zelfs het aanbod aan plaatsen om te genieten, nam toe. Wel stelt de auteur terecht de vraag of we er wel klaar voor zijn? En zelf denk ik, me herinnerend een nieuwe autoweg in de buurt van Chamonix, dat die weg naar het skicentrum misschien wel nuttig is voor de wintervakantiegangers, maar het landschap fataal doorsnijdt en een overvloed aan stilte weg heeft genomen. Het overaanbod werd gecreëerd, soms met ongewenste neveneffecten, maar dat bleek de pret niet te bederven.

We denken dan ook dat mevrouw Huijer een weg zoekt om verstandiger met de overvloed om te gaan. In plaats van ons in alles en nog wat aan consumptie te verliezen, meent zij, kunnen we zoeken onszelf wat in te perken. Waarom dat nodig is? Omdat overdadige consumptie ons misschien van onze verlangens en verwachting afhoudt. Kan iemand een goed en begenadigd pianist worden zonder vele jaren vele uren studie per dag? Kan iemand zichzelf overtreffen bij het ijsdansen zonder vele uren te oefenen op het ijs? Dan is er discipline nodig, maar zelfs bij het spreken, wil men anderen overtuigen, is er nood aan disciplina, training en oefening.

In haar onderzoek laat Marli Huijer een aardige karavaan van critici de revue passeren, een aantal noemt zij antineoliberalen, anderen noemt zij cultuurcritici en slechts weinigen, laat zij verstaan, brengen de moed op minder gemakkelijke paden te bewandelen. Want met Huijer ben ik het wel eens dat cultuurpessimisme als uitgangspunt verkiezingen in wezen nogal simpel oogt: vroeger was het beter. Quod non, nog afgezien van de vraag voor wie het toen beter was. Maar evenmin kan men stellen dat er toen geen mogelijkheden waren om zich in te zetten voor zichzelf en anderen. Ciske de Rat? Juist, de zeer toegewijde schoolmeester die zijn leerlingen en vooral Cis de weg wijst naar een – hoe kan het ook anders – gedisciplineerd volwassen leven, heb ik altijd gesitueerd in het grensgebied tussen de wens en de betere praktijk. Ciske de Rat moralistisch? Ongetwijfeld, maar geschreven door een schoolmeester die niet geloven kon dat jongeren zonder een goede thuis vanzelfsprekend voor galg en rat zouden opgroeien. Voor de goede lezer, we hebben het hier over de trilogie en niet over de zeer sentimentele musical.

De cultuurpessimisten vergeten, stipt mevrouw Huijer terecht aan, dat er vormen van disciplinering waren die niet zo goed functioneerden, maar ook dat er vandaag veel meer mensen toch een opleiding en een goed leven kunnen leiden, dan de misdaadstatistieken laten zien. Overigens zal men toch wel eens moeten kijken of en hoe politici en besluitvormingsinstanties, de mensen die aan de knoppen zitten zelf wel over discipline beschikken en zich kunnen in bedwang houden bij de wet- en regelgeving. Ik denk dat men het begrip democratie overigens niet kan opvatten zonder over disciplinering en zelfdiscipline na te denken.

De antineoliberalen, zoals onder meer Paul Verhaeghe en Hans Achterhuis stellen evengoed vast dat de beweging van antiautoritarisme juist in het neoliberalisme het meeste invloed heeft uitgeoefend. De wetgeving mag de werking van de markt(en) niet doorbreken, maar zou het werkelijk zo zijn dat die beweging, die volgde op “Les 30 glorieuses” de jaren van welvaart na WO II, ongeveer tot 1980 zo succesvol waren geweest als toen niet en dat zowat overal in Europa en de VSA – maar vaak al op gang gebracht in die donkere jaren 1930, zoals de democratischer toegang tot middelbaar onderwijs en hoger onderwijs, wat zowel voor Franklin Delano Roosevelt als door Winston Churchill werd bepleit en na de oorlog ook in België, Nederland etc. werd bevorderd. Toen was middelbaar onderwijs zowel inhoudelijk als op het vlak van de attitude inderdaad disciplinerend. Er bestond wel degelijk ook handelsonderwijs en technisch onderwijs, maar veel jongeren verlieten met 14 jaar de school. En toch, via leerjongenstatuut en avondonderwijs waren er die veel verder kwamen.

De kritiek op de disciplinering, die Foucault presenteerde in zijn werken, werd in de praktijk gedragen door burgerlijke studenten die meenden dat al die leervormen en attitude vormende maatregelen het kind en de jongen, het meisje van zichzelf zouden vervreemden… Ben ik de lof aan het zingen van vergane glories? Niet echt, maar onze visie op onze recente geschiedenis, dat wil zeggen na 1914 wordt vaker door mythes behekst dan dat men probeert populaire voorstellingen te onderzoeken en eventueel terzijde te schuiven. Marli Huijer onderzoekt dus niet zonder reden waarom zowel de antineoliberalen als de cultuurpessimisten hun eigen visie (deels) ontkrachten door een te enge focus op een aspect van wat toen goed was en nu slecht of omgekeerd.

Behalve de antineoliberalen als de cultuurpessimisten of cultuurcritici ziet zij nog een andere groep filosofen op de voorgrond komen als het over discipline gaat, met name de oefenfilosofen. Zij menen dat men, zoals Peter Sloterdijk schreef in zijn werk “gij zult uw leven veranderen”, door zeer Nietzscheaans te streven naar omhoog, op die slappe koord. Ook Yoep Dohmen pleit voor een oefencultuur, waarbij we dus niet zozeer met onze medemensen iets opbouwen, maar ons leven zelf vorm geven, eventueel met goede coaches, liefst met goede trainers die weten waar het om gaat. Behalve die mentoren zijn er dus maar weinig die ertoe geroepen zijn, zegt zij, die een persoon kunnen helpen en zij twijfelt eraan of iedereen wel over goede trainers voor de oefenende mens kan beschikken. Men kan deze kritiek op Sloterdijk wel begrijpen, eventueel onderschreven, omdat het oefenprogramma ons inderdaad niet zomaar in de schoot valt.

Om die reden meent de auteur, Marli Huijer, zal men er beter voor zorgen dat men eerder de horizontale verbanden laat spelen en zij kijkt zowel naar mechanische of digitale vormen van disciplinering, zoals apps. Mooie gedachte, voor een aantal kwesties, want al sinds tijden hebben we kerkklokken en fluitsignalen om mensen in beweging te zetten. Maar met apps kan men een spelletje blokkeren of toegang tot internet. Leuk, lezen we hier, maar als je bij het schrijven beroep wil doen op wikipedia en andere documenten? Precies, je zal jezelf in de hand moeten houden en niet om de haverklap naar rss te kijken of er niets boeiends is binnengekomen.

Beter dan de apps en andere machines, zegt de auteur is dat we met andere mensen afspraken gaan maken, om te joggen of te zwemmen, misschien om in een kwartet te spelen en wat al niet meer. We kunnen dus de discipline die we zelf niet opbrengen proberen uit te besteden aan magen en vrienden, zodat we regelmatig sporten of regelmatig een etentje hebben? Mag ik aan het ouderwetse verenigingsleven denken, aan de scouts ook waar jongeren precies in die vormen van disciplinering op grond van vrijwilligheid werden ingevoerd?

Er valt in deze context wel iets te zeggen over sociale controle, waarbij die verschillende vormen kan aannemen. De negatieve aspecten werden al vaker en op goede grond onder de aandacht gebracht. Maar de positieve verschijningsvormen worden daardoor wel vaker genegeerd. Dat wil niet zeggen dat we ons zomaar mogen moeien met anderen, maar als er afspraken gemaakt zijn, zo lezen we in dit essay kan het nu net wel, zich moeien. Hoever mag en kan dat gaan, vraagt precies  Marli  Huijer de lezer: aangezien we de voordelen van het feit aanvaarden dat hogere instanties, ouderlijke, politieke en religieuze niet zomaar gezag kunnen laten gelden en dus ook niet anderen kunnen disciplineren, moeten we erover nadenken of we met elkaar niet voor onszelf kunnen zorgen door goede afspraken te maken.

Toch zien we aan de ene kant burgerlijke overheden mensen vormen van zelfdiscipline opleggen, in verband met voedseloverdaad, drankmisbruik en andere zaken en men roept daar rationele argumenten voor in. De suggestie die hier aan de orde komt laat zien dat er betere mogelijkheden zijn, door afspraken te maken met elkaar, ook over het feit dat we onze voeding kunnen verzorgen, onszelf verzorgen. Op deze manier, heb ik de indruk zou iets anders kunnen vermeden worden, namelijk vormen van negatieve hypocrisie: ik zeg u niet zoveel te drinken, vet te eten of meer sport te doen, zonder dat ik mij daaraan hoef te houden. De afspraak die we maken komen voort uit zelfzorg en zorg voor anderen. Rationele argumenten helpen wel om te begrijpen waarom iets ongezond is, negatief kan uitpakken, maar kunnen niet altijd ertoe bijdragen dat we het negatieve gedrag achterwege laten. Daar zijn andere argumenten voor nodig. En dan komt, anders dan Marli Huijer het hier aandraagt, Michel Foucault toch op de voorgrond, maar dan via het thema van de zelfzorg.

De positieve inmenging in het leven van kinderen, om daar al mee te beginnen, kan juist betekenen dat we hen proberen te disciplineren, om iets uit te werken, af te werken, dat ze beginnen, om ze wegen te openen naar domeinen die ze niet vanzelf kennen. In die zin is het gebruik van media, ook internet voor kinderen best een goede aanvulling bij het aanbod. Een spelconsole? Waarom niet, maar ook een zekere aandacht voor goede verhalen, voor het aanreiken van inzichten om hun nieuwsgierigheid op te wekken en net niet te voldoen.

Huijer komt dan ook terecht bij de vraag of we per se moeten verdrinken in overvloed, wat sommige aanhangers van de autonomie een zinloze vraag vinden, terwijl we na lezing van “De verovering van de vrijheid” ook al konden bemerken dat Alicia Gescinska dit ook zo begreep. Om hoog te grijpen en meer van het leven te maken dan dat wat zich aandient en het leven boven het banale uit te tillen zal  men positieve vrijheden ontwikkelen. In die zin kan ik niet zonder verbazing vaststellen dat al die filosofen en wijsgeren von Gewerbe minstens gelijkaardige zorgen aan de dag leggen, maar hun uitkomsten, die ze zeer onderscheidend achten, liggen bij nader toezien ook dichter bij elkaar. Foucault, met zijn aandacht voor zelfzorg en afwijzing van wat ook maar riekt naar katholieke en andere vormen van religieuze zorg, zoekt in werkelijkheid ook te vermijden dat mensen door de waan van de dag en van het aanbod worden verdronken. Maar Alicia Gescinska en Huijer hebben gemeen dat de discipline, c.q. het veroveren van de vrijheid niet kan zonder de nabijheid van de anderen. Martha Nussbaum schreef vorig jaar nog een uitgebreid onderzoek naar de rol van emoties in het politieke. En ook daar is de mens niet de eenzaat zoals Hobbes en Rousseau hem – in de filosofie heeft de vrouw niet altijd een rol als voorbeeld – maar deel van een gemeenschap. Aristoteles komt dus weer om de hoek kijken. In dit boek zien we dat probleem weer opduiken en dat maakt het ook belangrijk als instrument in de discussie over zowel de vorming van jongeren als in de beleving van het samenleven van gelijken, volwassenen met alle verschillen die we menen te zien.

Juist dat, het samenleven met anderen in een anonieme samenleving vergt ook enige discipline, maar “Discipline: overleven in Overvloed” laat zien dat we die discipline niet altijd repressief moeten bekijken. Alleen, de overheden die de zaken willen sturen en wel eens streven naar een ideale samenleving, lijken te vergeten dat alleen repressie, bvb in verband met snelheidsinbreuken, waarbij mensen die zwaar over de schreef gingen, er wel eens in slagen aan een bestraffing te ontsnappen, omdat de formele aspecten van zo een vaststelling niet geheel conform de vereisten was, terwijl anderen gewoon een boete aan het been krijgen. Natuurlijk moet men de formele vereisten respecteren, natuurlijk moet de overheid ook oordeelkundig omspringen met de controlemiddelen die haar ten dienste staan, maar er is bij vele burgers de indruk ontstaan dat wetten niet met goed overleg gestemd worden. Politici vertegenwoordigen hen niet meer, omdat ze, die politici misschien te weinig discipline aan de dag leggen. Hierover schrijft mevrouw Huijer niet en ik duid het haar ook niet euvel, want het zijn gedachten die bij mij opkwamen tijdens het lezen en na het lezen bij het overdenken van het werk en dat proces is nog niet afgerond. Een boek laat zich bij het lezen van andere wel eens opnieuw overdenken, denk ik maar men blijkt ook daarbij best enige discipline aan de dag te leggen.

Bart Haers


Reacties

Populaire berichten