Arts als barmhartig mens
Reflectie
Geneeskunde, lichaam en ziel
![]() |
Joos van Craesbeec, de Piskijker. Hoe weten artsen wat er scheelt? |
In de begroting neemt gezondheidszorg een niet
te verwaarlozen deel van het budget voor haar rekening en ook de Vlaamse
regering is bezig de zorg verder uit te bouwen. Aan de andere kant heb je de
kwestie van het wetenschappelijk onderzoek en van de farmaceutische sector, die
haar winsten moet blijven verzekeren en wie zal dat die bedrijven kwalijk
nemen? Je hebt ook een beetje gedoe over armen die niet op tijd naar de dokter
gaan en kortom, geneeskunde, dat lijkt een zaak van kommer en kwel. Maar heeft
men nog wel een goed beeld van de arts die met zijn patiënten begaan is? De
discussie over euthanasie, palliatieve sedatie en de obsessie met het sterven
zonder onnodig afzien, plaatst men vaak in het licht van de discussie over
patiëntenrechten en het recht op euthanasie. Prof. dr. Wim Distelmans heeft het
over paternalistische artsen. Ik weet
niet goed of dat beeld wel klopt. Dus zocht ik een arts op om over deze vragen
te spreken. In dit geval een arts-psychiater die zich inlaat met zijn
patiënten, eerder dan met het volgen van voorgeschreven protocollen.
Want, zo vertelt de arts, wie een medicijn
voorschrijft, zeker in de psychiatrie moet beseffen dat de afbraak van de
stoffen die een medicijn in het lichaam brengt, wel degelijk invloed heeft op
de werkzame substantie. Het werk van de apothekers en pillendraaiers is
prachtig genoeg, maar het is aan de arts om te zien hoe in particuliere
gevallen voor grotere doelgroepen en specifieke aandoeningen bereide medicijnen
werken. Het is zoeken naar de ideale werking van een medicijn dat zo algemeen
mogelijk – binnen de aandoening kenmerkende eigenschappen – gemaakt werd in
concrete gevallen kan helpen. De arts, zo klinkt het, moet dus niet tevreden
zijn met een algemene aanpak, maar elke patiënt in alle particulariteit en
contingentie van het ogenblik hem of haar eigen, te volgen en na te gaan of een
medicijn dat geschikt lijkt ook werkelijk werkt.
Natuurlijk zal voor kleine aandoeningen of
zelfs voor meer specifieke gevallen de voorgestelde dosis wel degelijk werkzaam
zijn, maar het wordt pas boeiend en moeilijk als dat niet zo is. In de
psychiatrie overigens lijkt men, we zullen het er nog over hebben wie dat zijn,
die men, ervan overtuigd dat men seroquel vooral moet nemen volgens het
protocol, terwijl dat schadelijk kan zijn voor de patiënt. Doses? Het blijft
moeizaam zoeken naar het passende evenwicht tussen wat goed is voor de patiënt
op korte en op langere termijn, maar ook, wat een gunstige werking heeft op het
welbevinden van de patiënt. Lastig dus en inderdaad, als geneeskunde wetenschap
is, als biologische psychiatrie zich baseert op wetenschappelijke methodes en
op algemeen geldende “wetten”, dan is de toepassing, zoals we al zegden altijd
gebonden aan de persoon, leeftijd, gewicht, staat van de lever en andere
organen. Men kan daar geen lijn optrekken, althans hoogstens rekenen binnen
bepaalde marges.
Breng ik aan dat de patiënt altijd iemand
anders is, dan verneem ik dat dit maar al te waar is en dat een arts altijd
heel nauwkeurig en langdurig moet observeren. Het brengt mee dat de patiënt en
de arts, eventueel ook verpleegkundigen in het geval van behandeling intra
muros, te maken krijgen met overdracht, dat wat de arts denkt voor de patiënt
niet een objectief of neutraal verhaal is. Integendeel, de kennis van het
algemene is noodzakelijk, de observatie van de concrete patiënt, met alle
contingente aspecten ervan is meer dan een woord, het is de voorwaarde voor een
goede praktijk. Bovendien valt ook nog eens op te merken dat de omgeving van de
patiënt, de sociale context dus, voor de arts van belang is om zoiets als
therapietrouw bijvoorbeeld te kunnen inschatten, maar ook om mogelijk
schadelijke interacties binnen de familie of leefomgeving te leren kennen. In
artikelen in de dagbladen en magazines krijgt men wel vaker de indruk dat
artsen het wel moeten weten, want, of liever omdat wetenschappers weten hoe dit
of dat in elkaar zit, meer nog, eens de diagnose gesteld, kan men aan de slag,
een soort matrix van diagnostische gegevens en dan maar het juiste
behandelingsprotocol. Zou het?
De arts weet het natuurlijk wel, maar zonder
bloedonderzoek of andere meer verfijnde testen en een goede evaluatie van de
waarden die waargenomen worden, gaat het niet. Toch blijven we onszelf graag
wijsmaken dat het omzeggens vanzelf zou gaan eens we weten wat er scheelt,
terwijl dat toch een insult is voor de arts die de zieke behandelt. Alleen blijft
het maar de vraag hoe arts en patiënt met elkaar tot een betere verstandhouding
gebracht kunnen worden. We weten intussen dat de arts geen automatische
autoriteit meer heeft en men lijkt dat te mogen toejuichen, maar een arts die
zich niet mag laten voorstaan op de opgedane kennis, een arts die een patiënt
tegenover zich krijgt die via wikipedia en andere kanalen op het internet zijn
eigen of haar eigen diagnose heeft gesteld, staat vaak genoeg machteloos. Men
lijkt, zo denk ik dan, de opleiding van de arts voor onbelangrijk te houden of
zoiets als het leren koken via Piet Huysentruit. De man kan het mooi uitleggen,
maar de proef van de kunde, van de kok dan, ligt nog altijd in het doen: weten
hoe het smaken kan als het goed gedaan is, en ja, het oog lust ook wel iets. Ik
denk dat men de opleiding van artsen kan afmeten aan de moeizame weg die de
geneeskunde heeft doorgemaakt en hoe pas 67 jaar geleden iets als peniciline en
dus antibiotica zijn ontwikkeld. De pil voor vrouwen op een aanvaardbare
manier? 1961.
Kortom, de leek moet erkennen dat de arts over
kennis beschikt die hij of zij pas na een lange studie zou kunnen verwerven. De
studie omhelst veel, maar, zo zegt men, veel meer dan wat in de boeken
bladeren, maar ook een zeker aantal uren in de snijzaal en het leren
onderkennen van wat er allemaal mis kan gaan met de humana fabrica, kan dat
toch niet behelzen. Over de geest hebben we het dan nog geeneens. Want al wil
men ons doen geloven dat er niets aan de geest valt op te merken want niet
aanwezig in het brein, die zoutsmakende – dat hield ik over aan het verorberen
van varkenshersentjes ooit in de verre kindertijd, maar lekker was het wel en,
het moet gezegd, dat varkens meer op mensen lijken dan we graag horen – grijze
cellen waarvan dan weer menen dat het een complex geheel is van synapsen en
neuronen, die ervoor zorgen dat soms zeer verschillende dingen tegelijk onder
het schedeldak verlopen. Soms is het perfect in orde, heel vaak, evenwel, lijkt
het uit controle te lopen en dan hebben mensen een probleem, dat soms te
genezen valt, maar niet altijd. En dan
is het aan artsen om de lichaamssappen te onderzoeken.
Het klinkt alsof we bij Galenus, Vesalius en
anderen te rade gaan, maar uiteindelijk blijven artsen de lichaamssappen,
bloed, lymphen, hormonen en zoveel meer onderzoeken en gaat het, met andere
methodes om die vraag, hoe men een aandoening kan zien en vervolgens weten wat
er aan te doen en vervolgens te zien of het medicijn ook nog eens een keertje
werkt.
Men lijkt van de geneeskunde te verwachten op
elke aandoening een antwoord te kunnen leveren en een snelwerkende therapie te
kunnen aanbieden. Artsen zelf wekken vaak de indruk dat zij inderdaad op elk
probleem moeten kunnen voorzien in een passende en succesvolle ingreep.
Uiteraard en gelukkig komen artsen vandaag al een heel eind maar toch blijkt
dat men de weg bijster raakt als het antwoord uitblijft of de therapie niet blijkt
te werken, of niet snel genoeg. Het komt me voor dat we zeker wat de
geestelijke gezondheidszorg nogal vertwijfeld naar de arts kijken, terwijl het
niet helemaal evident is dat een medicijn zomaar werkt, want het metabolisme
bepaalt, zo vernam ik tijdens het gesprek in hoge mate de werkzame kracht van
het medicijn. Bovendien, men kan aandoeningen van de geest en de ziel niet
zomaar over dezelfde kam scheren. Sommige zijn zeer ingrijpend voor de patiënt,
omdat ze niet meer weten dat ze in hun denken ontsporen en menen dat het juist
is wat ze voortdurend door hun geest laten gaan.
Het feit dat het bewustzijn bij verenging van
het denken, het obsessief bezig zijn met een kwestie, inderdaad niet meer
vatbaar is voor indrukken van buitenaf, kan men natuurlijk wijten aan een
falend brein. Maar voor zover ik er iets van begrepen heb, veel zal dat niet
wezen, is het niet zo gemakkelijk het bewustzijn opnieuw vatbaar te maken voor
impulsen van buitenaf en tot communicatie. Zonder medicijnen gaat dat niet,
maar het is nog maar de vraag hoe die de therapie opgezet en gevolgd wordt. Wat
als een dosis negatieve bijwerkingen heeft, zal men dan niet besluiten tot het
verlagen van de dosis, ook als het protocol die nu net niet voorschrijft.
Natuurlijk beseffen we wel dat het voor de pharmaceutische industrie moeilijk
is om onderzoek te doen naar de nuttige werking van medicijnen als ze
voortdurend zouden schuiven met dosis, meer, minder, gedurende welke tijd dan
nog. Hier speelt de procedure van erkenning van geneesmiddelen door de FDA in
de VSA en analoge procedures in Europa – waarbij gezegd kan worden dat ook
Europa best zo snel mogelijk eenvormige praktijken in alle 27 lidstaten zouden
uitwerken. Maar met dien verstande dan dat de arts, de psychiater bij elke
behandeling onderzoekt welke dosis nu werkzaam blijkt zonder nadelige effecten.
Ik ben geen arts. Dat klopt, maar het staat mij
vrij, denk ik, na te denken over de vele discussies die nu welig tieren, tot en
met de discussie over levensbeëindiging. Want als ik weet dat de arts inderdaad
zijn of haar therapeutische vrijheid uitput om mij of een andere persoon een
kwalitatief beter leven te bezorgen, dan kan ik dat toch alleen maar
toejuichen. Therapeutische vrijheid? Het lijkt erop, dat men dit exclusief
toespitst op de keuze van generieke medicijnen om de kostprijs te beperken. Is
het niet evenzo kostenbesparend als men a) vertrouwen stelt in de deskundigheid
van de arts en b) deze arts precies vanwege zijn kennis, bekwaamheid met die deze heeft inzake anamnese, diagnose en
therapie, te laten volgen wat de voorgeschreven medicijnen doen met de patiënt.
Dat is, dunkt mij het tegendeel van therapeutische hardnekkigheid maar geeft
uiteraard geen blijk van blind voorschrijfgedrag. Mag men dan anders verwachten
van iemand die er minimaal 9 jaar studie op heeft zitten?
En toch ligt, komt het mij voor, iets in de
houding van de arts die niet enkel te maken heeft met kennis, kunde en – tot
spijt van wie het benijdt – kassa. Het gaat om de betrokkenheid van de arts bij
het welbevinden van de patiënt. In haar essay “Responsability and Judgement”,
betoogt Hannah Arend dat wie over het oordeelsvermogen en verantwoordelijkheid
van de persoon wil nadenken er niet zo heel wijs aan doet daarvoor een
uitlating van Socrates te hanteren, dat men niet iemand zal vermoorden omdat
men dan het hele verdere leven met de schuld en verantwoordelijkheid zal
rondlopen. Zij meent dat verantwoordelijkheid en oordeel eerder te situeren
zijn in de dagelijkse praktijk en niet enkel in de ultieme daad. Eerder
suggereert zij, zal men er zorg voor dragen dat men zich bij de dagelijkse
handelingen niet die dingen doet die men zich beklagen zal. Michel Foucault
gaat in zijn denken over zelfzorg verder en meent dat men zich niet zozeer over
(helden)moed dient zorgen te maken, maar
juist zorg moet dragen voor wat men denkt en doet des daags, om er des nachts
de slaap niet om te hoeven laten. Dat wil niet zeggen dat men zich helemaal
niet hoeft in te laten met de persoon van de andere, zeker als arts zou dat
maar vreemd zijn. Zakelijkheid als scherm tegen eigen onbehagen. Nu blijkt dat
veel artsen wel eens de slaap laten voor een bepaalde patiënt, omdat iets niet
lijkt uit te pakken zoals ze hadden verhoopt. Alleen, als ik even op de woorden
mag spelen, vraag ik mij af of klinisch onderzoek zou betekenen dat de persoon
van de patiënt helemaal buiten beeld verdwijnt. Artsen zijn maar wat gelukkig
als hun (moeilijke) gevallen het goed blijken te doen en als die dan ook nog
eens meer dan beleefdheidshalve dankbaar zijn. De verhouding tussen de patiënt
en de arts en vice versa, dat lijk het cruciale probleem te zijn.
Dan komen we bij benaderingen die, zonder dat
we durven te veralgemenen in de brede media zelden gedacht worden als het om
artsen en hun optreden gaat: barmharigheid, begrijpen en nog wat, dat we Agape
durven te noemen. Het gaat erom dat artsen in het OK wel degelijk tot voorbij
het uiterste kunnen gaan om een patiënt te redden. Maar hoe spectaculair ook,
soms lijkt het evengoed veeleisend een terminaal zieke kankerpatiënt te
begeleiden. Nu goed, over het leed zal men niet beweren dat het enige zin
heeft, maar gesteld dat een patiënt niet wil gaan, niet voor zichzelf, maar
voor haar partner, voor de kinderen, gewoon, hoe gek het ook mag lijken voor de
buitenstaander, om het leven zelf, wat kan een arts doen en hoe verloopt dat
tussen de arts en de patiënt(e)? Het colloque singulier? De definitie zegt het
eigenlijk al, het gaat om de strikte vertrouwelijkheid van de patiënt met zijn
of haar arts. Maar heeft de arts beroepsgeheim, verwacht de patiënt discretie –
zaken waar het we het over eens zijn – dan blijft de vraag hoe de patiënt met
de naaste familie, eventueel een vertrouwde derde kan spreken. In de
opvattingen die nu gelden over euthanasie – maar dit is dus het ultieme
medische handelen en dus niet het enige waar het op betrekking kan hebben –
lijkt het wel alsof de patiënt niet uit vrije wil – het komt me voor dat hier
de librum arbitrium, te vertalen als vrij oordeel – met derden mag overleggen
over wat er in geval van ziekte en zeker ernstige ziekte te gebeuren staat. De
arts, de psychiater die met een zielszieke patiënt te maken heeft, weet pas dat
de persoon in normale omstandigheden graag leeft, maar zolang die in de greep
is van een depressie niet bij machte op die manier naar zichzelf te kijken, als
de familie hem/haar over hun partner of ouder, kind vertellen. Kan men afzien
van proberen te genezen in een geval van zware depressie? Als die langdurig is?
Wat heet langdurig? Drie, vier jaar? En als dan, door onderzoekend benaderen
vanwege de arts de patiënt geleidelijk toch weer greep krijgt op het eigen
bewustzijn, het contact met de anderen, de wereld kan herstellen, zal die dan
verheugd de wereld opnieuw bekijken omdat die arts zoveel Latijn in hem of haar
heeft gestoken.
Is het zakelijkheid dat een arts een patiënt
desnoods jaren in behandeling houdt? Is het een poging het precaire evenwicht
tussen de persoon en diens omgeving te vrijwaren dan niet waard. Trudy Dehue
schreef enige jaren geleden een boek over de depressie-epidemie, waarover zij
onder andere in Brussel kwam spreken. Haar kritiek op de farmaceutische
nijverheid – ’t is maar zo gemakkelijk af te geven op de commercie - en vooral op de universiteiten die de band met
de sector zouden hebben laten verzieken werd haar aangewreven, maar het was
precies haar punt dat patiënten binnen de gang van zaken niet altijd de beste
zorgen kregen. De arts die zo vriendelijk was mij te woord te staan, vertelde
me dat psychiaters in Nederland soms hun patiënten die opgenomen worden in een
noodsituatie pas aan het einde van de behandeling zien. Zelf probeerde hij
altijd regelmatig bij opname aanwezig te zijn of zo snel mogelijk polshoogte te
nemen. Misschien moeten we nog maar eens vloeken in de academische tempel, maar
ik begreep uit zijn woorden iets wat je van een arts – zegt men dan – niet zo
vaak zal vernemen, dat hij nederig zijn kennis aanspreekt en probeert, soms
drie, vier keren “een geval” op het goede spoor te krijgen, dan kan men dat
niet wijten aan fouten, maar aan een grote toewijding van de arts.
De verhouding van arts en patiënt heeft men in
2003 in termen van patiëntenrechten willen gieten, maar laten we wel wezen, dat
is maar een deel van het verhaal en het blijft de vraag of de verhouding,
vertaald in die normatieve teksten voor de arts motiverend werken. Als hij hem
of haar die voor hem zit niet met de nodige zorg kan bejegenen, als hij de zaak
zakelijk of klinisch bekijkt, vertaling voor objectief, waar staan we dan.
Misschien kunnen we beter de zaak anders formuleren: de arts bekijkt de patiënt
als mens, met al of niet grote betrokkenheid, maar de aandoening zal men
objectief, klinisch benaderen.
Gesprekken met artsen laten zien dat zij wel
degelijk de mens zien, zeker bij zwaardere aandoeningen, maar inzake
psychiatrie? De een zal de aandoening bekijken en hopen dat dit of dat medicijn
of die combinatie helpen zal, terwijl de patiënt misschien niet helemaal in
beeld komt. Maar wie zal dat beoordelen. En moet een man van wetenschap, die
een arts is, dan niet met grote zorg maar vooral objectief naar het geval
kijken? Zou betrokkenheid, Agape des duivels zijn? Men begrijpt alleen uit de
contradictie in de termen dat die toewijding van de arts werkelijk een geluk
kan zijn voor de patiënt en zeker geen passende inschattingen hoeft in de weg
te staan. Maar goed, vier consulten als het met twee ook kan? Is dat geen
medische overconsumptie? Voor een simpele buikgriep wellicht wel, maar er zijn
andere aandoeningen, natuurlijk. En dan, kan men het een arts euvel duiden als
die genoegen schept in het algemene welbevinden eens de patiënt helemaal
hersteld is, na een depressie die enige tijd heeft aangesleept? De wetenschap
biedt de arts de gereedschapskist, is zijn vaardigheid, te zien, te luisteren
en te voelen en dan komt het erop aan, denk ik, de mens te blijven zien. Niet
de patiënt verdient respect omwille van de ziekte, wel de persoon die helaas
ziek is. Maar goed, ook dankbaarheid lijkt in het vigerende discours uit den
boze. Toch, waarom zou de dankbare ex-patiënt de arts niet die dankbaarheid
kenbaar mogen maken? Die vraag, denk ik, bracht me ertoe deze kanttekeningen te
plaatsen. Engagement is een mooi woord, barmhartigheid drukt het uit hoe
engagement zich uitdrukt en vormt krijgt. En het antwoord is dankbaarheid van
de patiënt, geen slaafse, pavloviaanse dankbaarheid maar gemeende
erkentelijkheid voor de inspanningen die geleverd werden, met een soms wel
groot hart.
Bart Haers
Reacties
Een reactie posten