L’amour sacré de la patrie
Kleinbeeld
Waarom de Gravensteengroep
Best verder gaat
![]() |
Gravensteengroep, Land op de tweesprong Manifesten ter ontgrendeling van Vlaanderen. Uitgeverij Pelckmans |
Vrijdag
laatst een stuk in de krant, met de tekst van het tiende gravensteengroep-manifest
waarin uitgelegd wordt dat het Vlinderakkoord echt niet brengt waar de Vlaamse
kiezers, die van N-VA, CD&V en VLD voor gevraagd hadden en waar uiteraard
ook het VB niet zo heel veel affiniteit mee kan hebben.
De
Gravensteengroep? U ziet wel eens Prof. Vermeersch op televisie of hoort
Jean-Pierre Rondas wel eens op de radio – vroeger uiteraard op Klara – en er
zijn nog andere bekende personen, zoals Jan Verheyen, Bart Maddens en
Tinneke, Beeckman, maar ook een
vakbondsman als Karel Gacoms was te vinden om de groep te steunen. Verder zijn
er de stille actieve leden, maar vooral, zoals we vandaag zagen vele
enthousiasten die hun zaterdagochtend in het Vlaams Parlement kwamen
doorbrengen voor wat een aangename voormiddag is geworden.
De
leden van de Gravensteengroep zijn niet de usual suspects als het over de
Vlaamse zaak gaat, zoals Karl Drabbe, uitgever bij Pelckmans terecht opmerkte: geen
Dewever of Bracke, Bourgeois of Brepoels, Peter Deroover of Guido Moons, en toch, het zijn ook behoorlijk koppige
mensen die op een ogenblik dat de verkiezingen een redelijk succes lieten
aanvoelen voor het kartel van CD&V en N-VA, in 2007 plots wakker werden,
omdat vanuit ACV en ABBV opgeroepen werd het land niet te splitsen, in naam van
de solidariteit het land – welk land ? – bijeen te houden en ervoor te zorgen
dat alles zou blijven zoals het is. Dat het Brusselse en Pajtottenlandse vakbondsmensen
zijn die vervolgens zonder tegensprekelijk debat de slogan tegen het splitsen
en voor de solidariteit kunnen laten overnemen door de nationale besturen, werd
en wordt door journalisten wel eens vergeten. Het ACV ziet die solidariteit niet
meer als iets dat uit hoort te gaan van de eigen achterban, die ooit ACV, ACW,
CM en DVV hebben opgericht omdat ze onafhankelijk wilden blijven van Charles
Woeste of de Rode Baron, Arthur Verhaeghe, wiens grootvader, Pierre-Théodore
Verhaeghe medeoprichter was geweest van de ULB en als vrijzinnige tegen de kerk
ten strijde was getrokken. Er zijn nog van die overgangen van Liberaal en
vrijzinnig naar katholiek vast te stellen doorheen de negentiende eeuw. Maar
zijn er naast de velen die kozen voor het Frans ook nog geweest die zich met
het Nederlands gingen inlaten. August Vermeylen, de groep rond ’t Zal wel gaan,
de Heremanszonen.
U
leest het, de historicus is weer bezig, maar het is dan ook opvallend dat
simpele zaken, zoals het feit dat de inspiratie van de Gentse arbeiders die
katholiek bleven toch liever zichzelf organiseerden, er een was die veel, zo
niet alles met de taal en met afkeer voor Franstalige en paternalistische leiding
te maken had. Men moet denk ik, vaststellen dat men van de “Strijd voor de
Vlaamse Zaak” een mooi sjabloon heeft gemaakt, dit romantisch heeft ingekleurd
en vervolgens aan wie in rechte en in feite de opvolging heeft opgenomen van de
(verlichte) voorgangers vandaag die inspiratie gewoon dood wil zwijgen. Links
en Rechts, met wisselende aandacht en wisselende inzet namen velen gezamenlijk,
als intellectuelen, kunstenaars, burgers de zaak van het Nederlands op zich.
Een van de gevolgen is, valt op te merken is dat men vandaag, behalve van Dirk
Denoyelle maar weinig streekaccenten hoorde. Over het algemeen is het spreken
van dialect en tussentaal vandaag overigens een privilegie voor acteurs en
zangers. Het gaat om lieden als Bart Peters en Tom Barman. Hoe goed ook als
artiest, in hun bereidheid voor de solidariteit, de eenheid van het land op te
treden, waren zij voorttrekkers en werden zij op die manier wat ze misschien
niet willen, meelopers met de zittende macht.
Ook
die zaterdagochtend was het weer te horen, hoe de heren en dame over hun engagement
spraken, dat hen wel in opspraak kan brengen bij de weldenkende gemeente van
VUB en andere kringen, waar alles wat Vlaams is het odium draagt van bekrompenheid,
van rechts en behoudend, of erger natuurlijk, extreem-rechts en
anti-democratisch. Tinneke Beekman zegde dat het niet allemaal zo simpel is,
want zij stelt vast dat wie haar meewarig vraagt waarom zij in de groep van de
Gravensteenmanifest meeschrijft en denkt, meteen met die omschrijvingen aan
komt dragen. Alsof men niet meer weet dat het ene activisme, rond Domela
Nieuwenhuys wel nationalistisch was, maar ook niet per se burgerlijk en het
Antwerpse activisme met Paul van Ostayen, Herman van den Reeck en ook wel
Marnix Ghijsen wel degelijk linkse en anarchistische sympathieën had. Daarover
ging het natuurlijk niet deze voormiddag, want het ging om de toekomst. Wat
moet de groep nog doen na 10 manifesten en een boek?
Ivan
Devadder was erop gebrand deze vraag te stellen en omdat men niet goed wilde
antwoorden, leek het alsof er verdeeldheid sloop in de rangen, maar ik denk dat
het goed is dat een denkgroep, een werkgemeenschap – zoals Bart Maddens het
ziet, verwijzend naar de Werkgemeenschap Vlaanderen Morgen - als de
Gravensteengroep zich niet laat opjutten om iets anders te worden dan ze zijn,
in beginsel en als doel voor ogen hebben. De situatie zoals die was, vergde van
deze linkse, progressieve intellectuelen, zoals ook Ludo Abicht er een is, zoals
Jef Turf zich toch presenteert, de historische laatste voorzitter van de
Belgische Communistische Partij, onversneden in zijn engagement, gebaseerd op
Marx en uitgedacht voor deze tijd, een antwoord geeft op de linkse obsessie met
een antivlaams discours dat – mirabile dictu – met de zittende macht gaat
heulen. Ook Etienne Vermeersch maakt er deel van uit en hoewel ik de soms
blinde verering voor de man niet goed begrijp, blijft hij wel pal staan voor
wat hij in deze op zich neemt, c.q. de Belgische staatsstructuur laten zien als
ondemocratisch, behoudsgezind en misschien wel wat bekrompen en dus niet voor
de lokroep van een meer bij de tenoren van de Vlaamse opiniemakers passend
discours gaat. Hij vindt dus onverkort dat de Belgische staat, sinds de
grondwetsherzieningen van 1970 tot het Vlinderakkoord niet beter gaat
beantwoorden aan wat voor linkse, democratische en progressieve intellectuelen van
tel zou moeten zijn.
In
het gesprek met Etienne Vermeersch kreeg Ivan de Vadder de dringende vraag van
de emeritus hoogleraar dat Marc Reynebeau eens zou proberen te begrijpen wat
Benedict Anderson onder Nationalisme nu werkelijk voor ogen heeft staan. De “imagined
community”, dat te maken heeft met nieuwe staten, die nog geen eigen natiebesef
hebben of zouden hebben, zouden dus constructies van een nationaal bewustzijn
van node hebben. De aandrang van de man was best belangrijk, omdat het inderdaad
wat kort door de bocht is, als men de inzichten over natie, natiebesef en
inderdaad verbeelde gemeenschap zou zien als het bewijs dat er nergens grond
voor is, dat het allemaal als mythe te deconstrueren valt.
Voor
intellectuelen is het natuurlijk lastig met een mythe aan de slag te gaan en
dus denkt men, nog steeds, dat het beter is dat soort dingen vooral niet
ernstig te nemen. Benedict echter toont aan dat voor de intuïtie van Stefan
Zweig heel wat te zeggen valt. Met name een natie samenvalt met het bereik van
een gemeenschappelijke drukpers, nu ook
radio en televisie, maar meer dan alleen de waan van de dag aanleverende
nieuwsbladen of tijdschriften, maar ook, indien voorhanden, de reflecties en
kanttekeningen waartoe commentatoren en opiniemakers als Zola voor Frankrijk of
Heinrich Mann voor Duitsland, Zweig zelf zowat overal voor stonden. Professor
Vermeersch verwees terecht dat de nationale Mythe van een groot Latijns
Amerika, dus alles van het zuiden en van de Rio Grande kon zich beroepen op dezelfde taal en – denk
ik dan – op dezelfde mythen ook, van Simon Bolivar en diens strijd voor een
groot en machtig Amerika, in het Zuiden dus. Dat is er niet gekomen, want
hoorden we deze morgen, de verschillende netwerken in La Paz, Lima, Santiago de
Chile en uiteraard Buenos Aires waren niet geneigd hun lokale macht op te geven
voor het grotere geheel. Men kon een lokaal nationalisme ontwikkelen en hield
het daarbij. Dat geen van de Latijns-Amerikaanse landen aan de greep van
militaire machthebbers ontsnappen kon, geen behoorlijke staatsvormingen
realiseren kon, moet ook gezegd. Het is voor mij de reden, om toch voorzichtig
te zijn met de grote schema’s waarmee men iets complex en zelfs fragiel als
natiebesef kan bekijken.
Dat
in de afgelopen eeuw ter linkerzijde de natie, de Vlaamse natie vooral weinig
aandacht schonk, maar ook en vooral de taalkwestie als bijzaak afdeed, vooral
nu afdoet, laat zien dat de concepten over wat goed links mag heten wel een
beetje uit het oog verloren zijn geraakt. Maar er is meer natuurlijk. Hoe
organiseer je solidariteit en wat is het belang van rechtvaardigheid daarin?
Hoe verantwoordt de overheid dat zij
voor de mensen zorgt, terwijl men toch gedacht had dat het emancipatorisch
bedoeld was, het socialisme. We weten het wel, de dromen van Bertold Brecht waren
er natuurlijk en ook de anarchist Dario Fo heeft ons in onze jeugd beïnvloed,
maar we beseffen wel en zeer terdege dat de revolutie, zoals men die voor ogen
hield, misschien toch wel veel kon teweeg brengen dat ook onszelf niet goed
uitkwam.
Mijn
indruk is, naar aanleiding van de presentatie van het boek van de
Gravensteengroep, dat men ter linkerzijde wel het nationalisme nodig had om
zich nog als een eigenstandige stroming te zien. Het is vandaag niet zo luid
gezegd, maar de discussie over de inhoudelijke kracht van de sociaaldemocratie en
wat zij voor ogen heeft staan als het over de toekomst gaat, kwam wel aan bod,
dat wil zeggen, de Gravensteengroep zou moeten zeggen wat ze morgen nog wil
betekenen, niet hoe men morgen Vlaanderen in Europa wil zien functioneren. Bart
Maddens, politiek wetenschapper kon ons wel uitleggen dat Brussel best in
condominium bestuurd zou worden, terwijl Johan Swinnen blijkbaar vindt,
gelukkig wordt er eens over geschreven, dat men het wanbeheer van de federale
wetenschappelijke en culturele instellingen eindelijk eens mag aanpakken. Maar
patrimoniumbeheer is niet echt een pad naar een rozenvingerig ochtendgloren,
dat vergt toch wel diepgaander benadering.
Het
zal er dus aan liggen dat we inderdaad eens komaf maken met de vraag of mensen
in hun behoren tot een grotere, anonieme en quasi amorfe leefgemeenschap nu een
identiteit zouden hebben of niet. Ook hoe we die identiteit niet hoeven te zien
als een panacee voor onze problemen dan wel als een “licence to kill”. Let wel,
ik verwacht dat die dingen in het boek staan, dat het er alvast over gaat. En
dan heb je dat andere probleem dat eindeloos behandeld wordt, de vorm die men
aan de democratie wil geven. Hoe staat deze groep, denk ik dan, tegenover de
idee van Jan Blommaert dat men de
democratie nog verder wil doordrijven en tegelijk het diversiteitsbeleid zo wil
doorvoeren dat niemand zich nog nergens in herkend of betrokken weet.
De
recensie die Hendrik Vuye maakte over het boek, met verwijzing naar zowel de
manifesten als vooral de commentaren van de leden van de groep, mag ons wel
bekoren. Met de foto van Johan Swinnen van een weg die zich splitst, met een
rots als sta in de weg, laat men duidelijk zien dat dit land moeilijk nog die
rots kan verwijderen, tenzij, tja, met een grote hoeveelheid dynamiet.
Terwijl
ik op wandeling door Brussel nadenk over wat ik gehoord en gezien heb, moet ik
vaststellen dat men niet bij de pakken blijft zitten. Er wordt nagedacht over
de kwesties die het land, Vlaanderen in Europa, aangaan. Wat is identiteit?
Sommigen vinden dat wie zich tot een identiteit bekent, andere zaken uitsluit.
Vlakbij de Grote Markt zit ik in de galerij te kijken naar het passerende volk
en ik zie niet in waarom ik als Vlaming niet met een Franstalige dame zou
praten over een boek dat ik op mijn tafeltje liggen heb. Waarom zou ik, op de
trein niet rustig een Engelse heer van antwoord dienen over de krant die ik
lees en dat doen in alle gemoedsrust. Vraag ik hem dan of hij zou begrijpen dat
ik iets anders zou zeggen dan “Wright or wrong, this my country”? Op de vlucht
voor de Koninginnedagen in zijn land, merkt hij dat er tussen Vlamingen en
Franstaligen vaak geen dialoog meer is.
Als
ik nu, een dag later, Marc Reynebeau terecht hoor vertellen dat zijn omgeving
en taal Vlaanderen en de Nederlandse taal is – waarom hij dat dan niet zegt en
toch vasthoudt aan het Vlaams blijft dan weer een raadsel – dan moet hij toch
ook beseffen dat dit nu net de argumenten zijn voor de leden van de
Gravensteengroep om de wijze waarop de politieke compromissen tot stand zijn
gekomen en komen, niet een doel hebben de situatie te verbeteren, maar vooral
wat is in stand te houden. Wie zich met politiek inlaat zal tot overleg bereid
moeten zijn en dat impliceert dat men de argumenten van de tegenstanders
accepteren kan, dat wil zeggen, dat bij het vinden van een vergelijk de
argumenten van de partijen gerespecteerd worden, maar dat de oplossing niet per
se een behoud van het bestaande als doel kan hebben. Over de plaats van Brussel
in dit land, werd en wordt steeds weer een hoop mist en veel schijnargumenten
gespuid. De stad is niet van iemand, wel van iedereen. La Belgique nous
appartient? Di Rupo mag dit zeggen. Het antwoord moet echter zijn: Dit land is
even grote mate het onze en de gedeelde belangen vormen met de objectief vaststelbare
tegengestelde belangen het kluwen waar we mee moeten werken. Whealen &
dealen? Natuurlijk, maar het moet uitkomen op de vaststelling dat men artikel
35 van de grondwet in de feiten niet kan uitvoeren. Daarover zou de discussie
over de evaluatie van de voorgenomen zesde staatshervorming kunnen en moeten
gaan, binnen de Vlaamse republiek, want die is in de instellingen een feit. En
die discussie, zo liet Marc Reynebeau zien, tegenover de heer Jan Verheyen,
blijft vooralsnog onmogelijk.
Want
het is mooi te zeggen dat de breuk tussen de zogenaamde culturele elite en
Vlaanderen voort zou zijn gekomen uit WO II en de vermaledijde collaboratie.
Waarom dan nooit iets gezegd over “Zwart en Wit” van Gerard Walschap? Waarom
dan niets gezegd van de steun die ook progressieve intellectuelen in stilte
hebben verleend aan mensen als Felix Timmermans of Ernest Claes? Natuurlijk
waren het Vermeylen, Buysse, Loveling, Anton Bergmans die in de 19de
als schrijvers en juristen de Vlaamse samenleving wilden verheffen, zoals het
ook priesters waren, als Gezelle, Verriest en anderen. En inderdaad, toen
Hendrik De Man in problemen met zijn Unie van Hand- en hoofdarbeiders, toen
Delwaide in Antwerpen een beetje te vriendelijk was voor de bezetter, toen was
er ook een Lagrou, een Verbelen, Verschaeve die de collaboratie, maar vooral de
Nazi-ideologie onderschreven. Dat is onmiskenbaar zo. Dat valt ook te
betreuren, maar het ligt wel 68 jaar achter ons. Er was ook Degrelle… maar dat
zijn schijnargumenten. Men moet denken over de tijd en de toekomst, niet de
toekomst van de Gravensteengroep, wel van deze regio in Europa. En daarom moet
men vooral betreuren dat zo weinig zin voor nuance opgebracht wordt. Dirk Denoyelle
liet een ontketende Di Rupo spotten met het Vlaamse lappendeken van dialecten.
Dat is er, maar wie zich in Vlaanderen in de publieke ruimte begeeft, iets wil
zeggen, spreekt Nederlands, ook de wielrenners van deze tijd. Het valt mij op
dat men vandaag, anno 2012 graag doet alsof iedereen een tussentaal spreekt en
niemand behoorlijk en dus geenszins stijlvol Nederlands. Precies de leden van
de Gravensteengroep, maar ook het publiek gisteren, spreekt met gemak en zelfs
met verve Nederlands. En ja, er zou wat meer aandacht aan mogen besteed worden,
aan een ronkende taal, taal waar men van genieten kan. Maar ja, de hele
traditie van de declamatie, waarvan een – helaas ook weer foute – Antoon Vander
Plaetse een voorbeeld was, is vandaag voor velen onbekend. Pas toen ik wijlen
Dieter Fischer-Dieskau “der Erlkönig” van Schubert hoorde zingen, begreep ik
dat de uitspraak en declamatie van Vander Plaetse echt wel in een traditie van
cultiverend taalgebruik past, een traditie die later, met de hervormingen en
vernieuwingen in het theaterwezen natuurlijk verloren is gegaan. Ik vraag mij
af of men nog wel “Adam in ballingschap” of zelfs “Karakter” echt kan brengen,
als men niet alle registers van de taal wenst aan te wenden om zeggingskracht
te geven. Dus dienen we ook die registers van de stem en van de taal die ten
onrechte artificieel genoemd worden opnieuw in gebruik te nemen, doelgericht.
Want zonder die theatrale taal, vrees ik, valt veel van wat we te zeggen
hebben, in het niet, klinkt plat en verliest daarom ook aan vorm. Inderdaad,
zoals de heer Jean-Pierre Rondas de honneurs waarnam, was dat als hedendaagse
vorm van retoriek best aangenaam. En inderdaad, ook de andere sprekers wisten verschillende
registers te bespelen. Ik denk dat dit debat ook toch eens behandeld dient te
worden. Hoe levendig is onze taal? Vooral als men de manifesten een zekere
starheid aanwrijft. Ik stel vast dat bijna alle politieke tenoren, baritons en
sopranen in hun toespraken inderdaad een zeer gelijkend register hanteren. De
verschillen? Sierlijkheid en verrassing, maar dan moet men bij de fles
grendelwijn uitkomen.
Of
nog, hoe een slogan geboren kan worden: Ontgrendel Vlaanderen, opdat het in
Europa de eigen rol kan spelen en de burgers de ruimte kan geven zich te
ontplooien. Dat, denk ik nu, is wat misschien wel duidelijker in de media aan
bod had mogen komen: Ontgrendelt de nieuwe staatshervorming dit land, niet
enkel Vlaanderen, maar zeker ook Brussel en vooral ook Wallonië? Ontgrendelen?
Dus taboes wegnemen. Maar dat horen we in het politieke debat toch vaak genoeg,
dat er geen taboes zouden zijn? Het zou wel eens domweg zo kunnen zijn dat er
precies daarom heel wat taboes zijn die het overleg over een nieuwe
staatsordening in de weg staan. Maar ja, het zijn taboes en dus spreken we er
niet over, niet stille noch met luide stemme.
Men
zal het ons niet kwalijk als we tot slot bedenken dat het best boeiend is, na
te denken over de staat, als politieke entiteit, maar dat het evengoed niet kan
zonder over taal, taalgebruik en cultuur na te denken. Objectiviteit is goed,
tot op zekere hoogte, betrokkenheid mag het wel overnemen, anders komt men er
niet toe in te zien dat de situatie dringend optreden vergt.
Bart
Haers
Een vriendelijke anonimus wil in vijf zinnen vernemen wat ik te vertellen heb. Wel, als het lang uitvalt, het was een behoorlijke zitting en naderhand was het ook best aangenaam. En ja, men moet vandaag kort van stof zijn. Helaas, het voorrecht zelf een eigen medium te hebben, laat toe soms eens de regels van de concise boodschap niet zozeer terzijde te schuiven als wel in een mooi uitgewerkt verhaal te brengen. Maar ja, als u het echt weten wil, dan moet u er maar heen gaan. Maar ik heb zo mijn twijfels of u het echt wel ter harte neemt.
BeantwoordenVerwijderen