Theorie en praktijk van de onderwijshervormingen
Reflectie
Onderwijs
Meer dan het systeem
![]() |
Jan Steen, De Schoolmeester. Maar wie is in dit debat de (geborneerde) Schoolmeester? |
Op zaterdag 2 juni schoven aan in de studio met
Werner Trio de heer Gaby Hostens, jarenlang betrokken bij het onderwijsbeleid
en vooral het middelbaar onderwijs en de Nederlandse filosoof Ad Verbrugge, die
een aantal jaren geleden met BON, Beter Onderwijs Nederland, een steen in de
kikkerpoel van het Binnenhof, de regeringswijk in Den Haag, gooide. Zoals
gewoonlijk kunnen we dit programma alleen maar aanbevelen en aanraden het via
herbeluisteren te volgen. Maar ook roept het wel wat vragen op.
Zo vond de heer Hostens op zeker moment dat ze
zoveel tijd aan de hervormingen hebben besteed, dat, zo begrepen we, het wel
goed moest zijn. Zoveel mensen die zo lang en zo intens met het proces bezig
zijn, dat moet toch okay zijn. De vraag is en blijft of er niet een soort
tunnelvisie ontstaan kon zijn. Dat Gaby Hostens ook verwees naar dat andere
punt, waar Frank Vandenbroucke als wetenschapper over had gewerkt, de neiging
tot beleidsmimetisme, dus het herhalen, ook van de fouten, maakte dat ik zijn
gedachten beter kon plaatsen.
Zo legde hij op enig moment ook uit waarom het
Finse onderwijsmodel wel slaagt en andere modellen, zoals in Nederland, waar
men dat Scandinavische model ook had gevolgd – althans, dat was wat men
beweerde -, faalde. Onder meer de aandacht voor het opleidingsprogramma van de
leerkrachten, inclusief voorselectie bij de instroom tot de opleidingen voor
leerkrachten op universitair niveau, viel op. Ooit organiseerde de
Werkgemeenschap Vlaanderen Morgen over onderwijs een colloquium waar gesteld
werd dat ook kleuterjuffen een meer uitgebreide vorming verdienden, of liever,
de kindjes verdienen goed geschoolde kleuterjuffen. Of dat per se academisch
moet, blijft een vraag, omdat theorie het intuïtieve kan versmachten. Dat in
Nederland intussen de studenten in de pedagogische opleidingen een pak
inhaalwerk hebben, terwijl ooit de schoolmeester en vooral de bovenmeester een
dijk van een reputatie kon hebben bij de leerlingen en de ouders, lijkt
vandaag, behalve in Finland een zeldzaamheid. De samenleving is natuurlijk
veranderd en meer dan ooit hebben we mensen die hooggeschoold zijn en best in
staat de vorderingen van hun kinderen te volgen. Dat zij, als ouders, daarbij
ook vergissingen begaan of ten onrechte bepaalde richtingen uitsluiten, mag
daarbij zeker vermeld worden. Maar ook, zoals blijkt, valt op dat ouders hun
kinderen niet altijd het goede voorbeeld geven door zelf de leraar die een “pik”
op zoon of dochterlief heeft, verbaal of anderszins aan te pakken.
Over het nut van Latijn is al een massa
geschreven en gezegd, maar, met permissie gezegd, heel vaak naast de kwestie.
Heeft het zin, vraagt men dan, een jonkie een jaar lang 9 uur per week met
woordjes en grammatica, althans de beginselen om de oren te slaan en vervolgens
nog 5 jaar a rato van 5 of 6 uur Latijn en eventueel Grieks mag studeren? Natuurlijk ligt de zinloosheid of
zinvolheid niet in die 9 uur, maar in de betrokkenheid die een leerling bij dat
gebeuren te beurt valt. Vervolgens zal die leerling veel van syntaxis, van
poëzie en ook nog eens een keertje van retorica, tragedie en wat al niet meer
leren kennen. De zin of onzin is niet te begrijpen als verstaan wat een
politicus bedoelt als die “Nihil volentibus arduum” zegt, want als ik
het wel heb was het ergens een examenzin die we te vertalen hadden. Talen
leren hebben inderdaad tot nut dat men zich in alle landen waar die talen
gesproken worden of waar anderen die taal als tweede of derde taal geleerd
hebben, met enig gemak kan bewegen. Maar verwijzend naar het koloniale
verleden, hebben priesters-missionarissen heel wat antropologisch onderzoek
kunnen verrichten, door zich juist intens met de taal, de verschriftelijking
van de gesproken talen in te laten en verhalen op te tekenen. Misschien is dat
tweede element, de cultuur, het denken in andere talen en gebruiken te leren kennen nog niet
het doorslaggevende argument. Wezenlijk is dat het studeren, het geheugenwerk
zelf voorwaarde zijn voor ontplooiing van jongeren. Zo verwijs ik bij deze
graag naar een dialoog van Diderot “Le neveu de Rameau”, een gesprek van de
filosoof met een picareske antiheld, die hem, de filosoof op de vingers tikt
over al zijn vooroordelen. Eerlijk gezegd, dat boekje had men misschien beter
ook aan de heer Gaby Hostens voorgelegd, voor hij begon het onderwijs te
hervormen.
Nee, men hoeft geen Latijn te kennen om een
goed mens te zijn, om een creatief mens te worden, maar de vraag is of men op
die manier naar opleidingen kan kijken. Lees ik de recensies over Tom Hollands
boek(en), vooral “Rubicon” dan merk ik dat de recensenten weinig geboeid lijken
maar dat de auteur met zijn aanpak velen die wel eens hoorden over Cicero,
Caesar, Pompejus en misschien zelfs Marius, vooral de lezers lijkt in te
pakken. Men schreef er hier wel over, maar echte interesse voor geschiedenis,
geschiedschrijving is vandaag ver te zoeken. Echter, ook vorming op filosofisch
vlak lijkt vandaag steeds moeilijker. Patrick Loobuyck pleit terecht voor goede
wijsgerige vorming in het onderwijs. Wel, we stellen vast dat tot de invoering
van het VSO in het onderwijs inderdaad, zeker in het vrij onderwijs in de
laatste jaren een aanzet tot filosofisch denken werd aangedragen.
De kwestie namelijk is – zoals Richard Sennett
en ook Frank Furedi voorop stellen - dat men niet per se moet kijken naar de structuren alleen, ook iets waar Gaby
Hostens uiteindelijk bij uitkwam. Alleen, vraag ik mij dan af, waarom al die
inspanningen om de zaak overhoop te gooien. Er zat een aperte tegenspraak in de
lof die de man de ambtenaren van OCW (onderwijs, Cultuur en welzijn in
Nederland) toezwaaide en de erkenning dat onderwijshervormingen soms te zeer
theoretisch uitpakken en te weinig naar de leerkrachten, maar nog minder naar
de ouders werd en wordt geluisterd. Het is van belang vast te stellen dat
onderwijs, als het goed is, mensen in staat moet stellen bijvoorbeeld aandacht
op te brengen voor het politieke, het culturele, het intellectuele, maar dat
die algemene vorming niet iedereen gegeven is te doorworstelen. De gedachte van
Bourdieu en anderen dat het onderwijs een vermenigvuldiger is van onrecht en
van gelijkvormigheid bij de elite, mag men eindelijk wel juist achten, het
laatste in elk geval. Want juist in het verleden was er een netwerk waar bekwame
jongens en soms ook meisjes die door toedoen van schoolmeesters, kapelaans en
brouwers de kans werd gegeven ondanks de karige middelen van bestaan van de
ouders, te studeren. De studiebeurzen vandaag werden een recht, maar blijken
geen stimulans voor jongeren om te studeren.
Er is nog iets dat we al vaker schreven, maar
waar men vandaag duidelijk niet over discussiëren wil, tenzij expliciet, zoals
de heer Hostens liet blijken, want de Pisa-vergelijkingen worden op 15 jaar
gehouden, omdat niet overal de leerplicht tot achttien jaar gaat. Het gaat er
namelijk om dat die leerplichtverlenging ertoe aanleiding gaf dat jongeren die
anders hun meug vonden in een atelier of een fabriek, als bode of in andere
hoedanigheden, vandaag schoolmoe worden omdat ze 8 uur in de klas moeten zijn,
terwijl ze des avonds wel degelijk soms veel uren slijten met werken in een
atelier of een carrosserie. Ze leren meer op die werkvloer en toch wordt daar –
gelukkig – zelden over gespreken. Gelukkig mag men dit wel noemen want dit is
uiteraard vaak fraude en dat mogen we niet willen. Soms botst de wetgever op
zijn eigen wetten en kan men het goede niet goed realiseren.
In de hele discussie moest de heer Gaby Hostens
voorbehoud maken bij het beleid dat ondanks zijn medewerking tot stand is
gekomen, omdat het niet helemaal was wat hij had gewild. De druk van de
compromissen kan het niet zijn, veeleer de vaststelling dat de betrokkenen
gerekruteerd werden uit dezelfde kringen en met gelijke opleidingen. Ook de
expertise van de universiteiten bracht weinig aanleiding tot kritische geluiden
zodat de uniformiteit in het denken soms zeer gevaarlijke vormen aan kon nemen.
Het is dus van belang, denk ik dan, te begrijpen dat de discussie over
onderwijshervormingen, ook en zelfs als ze in het parlement werden en worden
gevoerd, vaak binnen de ivoren toren gevoerd werden en worden. Zelfs
journalisten, zoals Guy Tegenbos, die ik wel waarderen kan behalve als het over
onderwijsbeleid gaat, blijken meer binnen dan buiten de ivoren toren te toeven.
Dat brengt mee dat noodzakelijke vragen ten aanzien van het beleid niet per se
aan bod kunnen komen.
Ad Verbrugge stelt die vragen nu net wel,
bijvoorbeeld of een hervorming, waarvan men veel verwacht inzake billijkheid in
de toegang tot onderwijs wel de resultaten bereikt dat men voor ogen heeft. Ik
denk inderdaad dat de mensen voor de klas er wel toe doen. Staat men mij toe de
vraag te stellen waarom vandaag in het Westen jongeren die niets te maken
hebben met de Islam toch ervoor kiezen voor die religie en er ook nog eens als
echte zeloten tot het uiterste in gaan, het dragen van gezichtsbedekkende
sluiers, dan moet men toch vaststellen met mij dat dit hoe dan ook een falen
weergeeft van zowel het vrij als het officieel onderwijs inzake levensbeschouwelijke
leergangen. Men kan alleen vaststellen dat die jongeren op zoek waren naar
waarden die hen de ruggengraat gaven die ze niet in het onderwijs hebben
meegekregen. Een (vrijzinnig) humanist wordt men niet vanzelf en bovendien,
ondanks de schijn, blijkt er toch wel ruimte voor uiteenlopende visies onder
humanisten. De zekerheid van de waarheid
van de eigen inzichten, die men in een goed onderwijs leert te relativeren ten
gunste van het belang van goed onderbouwde visies, lukt blijkbaar minder goed
dan men zou wensen. Nu, dat had men kunnen weten, kijkend naar de doctrinaire
omgang met het Rode boekje in de jaren zeventig, de grote interesse voor sekten
in de jaren 1980, waar wel eens doden vielen en zelfmoorden te betreuren
vielen. Bekijkt men dat plaatje dan is de huidige bereidheid tot bekering naar
de Islam niet geheel onverwacht, valt het ook niet de betrokkenen euvel te
duiden. Wel kan men de onderwijsverantwoordelijken, niet de leerkrachten
alleen, maar vooral de “hogere instanties” dat zij jongeren te weinig hebben
leren vertrouwen op hun denkvermogen en ook, minstens evenzeer hebben
bijgebracht wat de waarde is van argumenten, van retoriek bijvoorbeeld. De
jongere werd een gemakkelijk doelwit voor (mis-)leidende boodschappen, niet
omdat ze geen Latijn kenden – velen kenden wel Latijn – maar omdat ze niet
voldoende met die inzichten bezig waren geweest.
Andere tijden en andere omstandigheden laten
wel eens toe inzichten te toetsen. Een gymnasiumdirecteur, Johannes Fest,
weigert lid te worden van de NSDAP – al moet gezegd dat het lidmaatschap op een
bepaald moment niet opgenomen kon worden, omdat men teveel opportunisten
vreesde – en verliest zijn baan, krijgt beroepsverbod en wordt uiteindelijk
gebroodroofd, maar moet vervolgens als bijna vijftigjarige wel dienen in het
leger en Duitsland verdedigen, net zoals zijn zonen, die ook buiten de
Hitlerjugend waren gehouden. We kunnen hier ook nog maar eens verwijzen naar de
jongelui van De Witte Roos, die volkomen gelijkgeschakeld waren via de
Hitlerjugend, of net niet, want Hans Scholl bijvoorbeeld wilde te eigengereid
optreden en las de verkeerde boeken, zodat hij niet kon aanblijven als
vaandrig. Zijn zus, Sophie Scholl moest overigens eerst arbeidsdienst vervullen
voor ze kon gaan studeren. Hun leven werd bepaald door een regime dat hen geen
billijke kansen gaf. Het komt mij voor dat men deze facetten van het leven in
Duitsland onder het nazisme te gemakkelijk onder het tapijt veegt, omdat ze
voor latere, onze tijd, wel eens zeer hinderlijk kunnen zijn. Precies omdat de
billijkheid die men voorhoudt te realiseren, via het onderwijs zelf in de
problemen komt. Zoals Ad Verbrugge zegde, stelde het VMO-Gymnasium te weinig
eisen aan de leerlingen zodat het vervelend werd, wordt voor de leerlingen.
Deze facetten kan men niet zomaar negeren, als men spreekt over
onderwijshervormingen. Ach, het verband tussen het negeren van die aspecten van
de NSDAP, de behandeling van Duitsers die er afwijkende interesses op na
hielden of geen lid wilden worden van de partij? Dat zijn juist die zaken die
een bewind met zich meebrengen dat voor iedereen het beste zegt voor te hebben
en daardoor de individualiteit negeert. In een school, waar men de leerlingen
van de eerste klasse tot de zesde door dezelfde mangel haalt, speelt iets anders,
daar is voor de leerlingen de vervreemding via de leerstof voor allen even
intens maar het is juist die vervreemding, door bijvoorbeeld de geschiedenis
van de menselijke soort te belichten, die leerlingen toelaat na te gaan denken
over de wijze waarop ze naar de wereld, hun leefomgeving kunnen kijken zal
kleuren. Wordt die blik eerst door anderen, zoals ouders of leerkrachten
bepaalt, dan zullen zij – als het goed is – aan het einde leren zelf te kijken
en daar in verhandelingen leren getuigenis van af te leggen, dat ze kunnen
kijken en vooral dat ze het kunnen verwoorden.
Het komt mij voor dat de heer Hosten daar
weinig over gesproken heeft en toch, als men naar het conformisme kijkt dat
bijvoorbeeld over het onderwijs in de media opgeldt maakt, dan is het opvallend
dat men het schrijven van een verhandeling, saai, vervelend en zelfs zinloos vindt.
Is het niet de vervollediging van het middelbaar onderwijs als men weet dat men
aan het eind van de cyclus leert uit te leggen waarom op deze of gene manier naar
de dingen kijkt? In dit verband valt het me altijd weer op dat bijvoorbeeld de
holebi-beweging van de minister vraagt dat hij in het onderwijs sensibilisering
zal vragen voor de mogelijkheid van die geaardheid en tegen geweld ten aanzien
van holebi’s. Natuurlijk mag men geen geweld gebruiken, tegen geen enkele
persoon, maar door het geweld tegen deze groep extra in de verf te zetten,
ontstaan misverstanden, over het gebruik van geweld, maar ook over het belang
van seksuele geaardheid. Dat laatste misverstand bestaat erin dat mensen geheel
bepaald zouden zijn door hun seksuele geaardheid. Anderzijds zouden andere
“afwijkingen” van het gewone dus wel gewelddadig bejegend mogen worden.
Uiteraard is dat niet de bedoeling van de holebi’s, maar toch, men kan maar
beter proberen, denk ik, in het onderwijs het beteugelen van het geweld en
ontwikkeling van zelfbeheersing te bevorderen, zonder daarom in de zonde te
vervallen van de ongevoeligheid of schijn van ongevoeligheid. Dat is wat
normaal in een klas kan, als de leerlingen inderdaad moeten leren de anderen te
verdragen en meer nog, met die anderen een band te krijgen, betrokkenheid,
vriendschap… Maar ook dat is in het huidige onderwijsbeleid van ondergeschikt
belang: Men wil de kindjes leren autonoom zijn en brengt hen massieve afkeer
voor wiskunde bij of voor literatuur. Niet expressis verbis, maar gewoon, door
voortdurend over nut en nuttigheid te spreken. Onderwijs moet vele ladders
aanbieden, die naderhand overbodig lijken, maar wel het hele bouwwerk van de
goed gevormde jongeman of jonge dame schragen, al ziet men ze niet meer aan de
buitenkant.
Het is in deze context dat men de discussie
over heteronomie en autonomie dient te zien. Men kan niemand vormen, opleiden,
opvoeden zonder van buitenaf waarden op te leggen. In die zin had Bourdieu
absoluut gelijk, maar de conclusie die hij trok, dat dit fataal tot eenvormige
bourgeois moest leiden, heeft hij (gedeeltelijk) in zijn studie en prestaties
laten zien dat dit niet klopt. Juist de generatie die na de jaren veertig aan
de universiteit kwam zou veel heilige huisjes slopen en met recht, maar de
natuurlijke en geleidelijk wegdeemsterende autoriteit van de meester, die heeft
men denk ik ten onrechte te absoluut gesteld om die te kunnen slopen. Want
vanouds was de patroon, als het goed was, degene die de leerling, de student,
de gezel diende te vormen tot een gelijke, waarna de volgende generatie kwam.
Had de vioolbouwer Del Gesu autoriteit in zijn atelier? Uiteraard, maar niet
alle leerlingen werden gezel bij hem, maar werden zelf meester en kregen op hun
beurt (relatieve) autoriteit, in functie van hun kunnen. Dat proces had in het
debat over de onderwijshervormingen meer belicht mogen worden. Maar het was er
nu wel en hoewel we met vragen blijven over het waarom, weten we nu toch dat de
aannames van de hervormers best nog eens goed tegen het licht gehouden worden.
Bart Haers
Hierbij enkele belangrijke uitspraken uit het Klara-debat over de hervorming van het s.o. Prof. Ad Verbrugge (BON) raadde Vlaanderen vooral aan om de nodige lering te trekken uit mislukte en afgevoerde hervormingen in Nederland zoals de gemeenschappelijke basisvorming in de lagere cyclus s.o. (uitstel van studiekeuze, heterogene klassen, enz.). Hij vond het vreemd dat men precies nu in Vlaanderen een gemeenschappelijke eerste graad en uitstel van studiekeuze wou invoeren. In Nederland werden in 2004 in de lagere cyclus weer verschillende profielen ingevoerd, verschillende beheersingsniveaus; meer praktische vakken voor een aantal leerlingen ... Nederlandse jongeren staken de grens over om in Vlaanderen secundair onderwijs te volgen. (Ook de Nederlandse Onderwijsraad en de beleidsmensen stellen dat uitstel van studiekeuze veel meer nadelen dan voordelen oplevert.) Op de uiteindelijke vraag of de geplande hervorming geen copie was van het mislukte en afgevoerde VSO van vroeger, wou en durfde de ex-beleidsman Gaby Hostens zich niet uitspreken.
BeantwoordenVerwijderenHostens stelde wel dat de hervormingsvoorstellen gestimuleerd werden door PISA. Verbrugge repliceerde dat PISA vooral gebruikt en misbruikt werd om veranderingen zoals de middenschool en competentiegericht onderwijs te rechtvaardigen, en dat slechts een deel van de vorming door PISA gedekt wordt.
Hostens stelde dat de invloed van de OESO en van PISA toch groot is omdat de beleidsmakers uit de verschillende landen geneigd zijn aan beleidsnabootsing te doen. Vanuit de OESO is veel aandacht voor de human capital theory, equity, kwaliteit, democratische toegangsprocedures, relevantie voor de arbeidsmarkt, ... Verbrugge repliceerde o.a.dat weinig mensen gekant zijn tegen sociale rechtvaardigheid, maar wel tegen de concrete invulling die bepaalde hervormers aan die begrippen geven. Volgens Verbrugge was het onderwijs vroeger evenzeer gericht op sociale rechtvaardigheid; in het klassieke stelsel met vroege studiekeuze was er ook veel sociale doorstroming. Maar het klassiek onderwijs werd door de hervormers al te vlug en ten onrechte beticht van sociale discriminatie e.d. Het klassieke onderwijs – de school van Theo Thijssen, werd in de traditie van Bourdieu vanuit een marxistische bovenbouwideologie al te gemakkelijk ervan beticht de sociale ongelijkheid te willen in stand houden. Precies door hervormingen als de invoering van de middenschool (basisvorming) nam volgens hem de sociale ongelijkheid in Nederland en elders toe. Het doel van de geplande hervorming – sociale rechtvaardigheid - is o.k., maar uitstel van studiekeuze is het verkeerde middel om dat doel te bereiken.
Hostens stelde dat de kopstukken van de OESO en van PISA veelal Finland als modellland voor de hervorming van het s.o. promoten. Verbrugge & Trio vroegen zich af of de vergelijking met Finland wel verantwoord was; zo kent Finland heel weinig migrantenleerlingen. Hostens gaf vervolgens toe dat van de comprehensieve en Scandinavische landen enkel Finland goed scoort. Hij durfde die goede score blijkbaar ook niet meer in verband brengen met de middenschool, maar stelde dat ze vooral te maken had met de hoge kwaliteit en strenge rekrutering van de leerkrachten. Hij gaf ook toe dat in de Finse middenschool 30 à 40 % van de leerlingen bijgewerkt worden door speciale leerkrachten die de inhaallessen verzorgen (en dus niet via differentiatie binnen de klas door de klasleraar.
Over die invloed van Oeso en Pisa in verband met beleidsnabootsing of -mimetisme zou men inderdaad nader moeten ingaan. Ik heb vooral de bedoeling met een stuk als dit er mee voor te zorgen dat een belangrijke uitzending van Trio op Klara niet helemaal verloren gaat. Ik hoop dat academici en intellectuelen nu eens hun blinde conformisme opzij zullen schuiven en het verschil tussen beoogde doelen die de hervormingen noodzakelijk zouden maken en wat de mogelijk ongewenste, zelfs nefaste neveneffecten zouden kunnen zijn, aan de orde stellen.
BeantwoordenVerwijderenUw verwijzing naar Theo Thijsen vind ik wel klasse, want het blijken overwegingen als deze die men zo licht over het hoofd ziet. Niet het marxisme als zodanig gaat in de fout, maar filosofen als John Rawls, Pierre Bourdieu en al die anderen die - zo zie ik het toch - uitgangspunten voor bewezen houden.