Vertrouwen als smeerolie
Politiek
& samenleving
Geschonden
vertrouwen
Kan men het weefsel
herstellen?
![]() |
Bartolini, Fiducia in Dio, 19de eeuw Het vertrouwen in God is vaak misbruikt, maar vertrouwen zelf doet de samenleving draaien. |
Een onderzoek dat vertelt dat burgers de
instellingen en de dragers van de instellingen niet meer vertrouwen. Van banken
tot kerk, alles lijkt verrommeld en vooral men krijgt de indruk dat de
instellingen niet meer naar behoren werken. Rechters, politiemensen en al wat
met veiligheid te maken heeft, krijgt nog enig respijt, maar rechters die
oordelen in de fouten van de banken en andere zaken, blijken dan weer onbetrouwbaar.
Wat is er mis gegaan? Of hebben we niet voldoende oog gehad voor morele helderheid naar de term die Susan Neiman muntte.
Foucault
laat met “Les mots et les choses”, en “Surveiller
et punir” boeiende reflecties op de lezer los over hoe gezag, autoriteit zich
in woorden, in vormen en gedrag vertaalde en vertaalt. Niet geheel ten onrechte
vond Michel Foucault dat hij als filosoof uiting diende te geven aan het
fundamentele wantrouwen dat de instellingen en de personen die de instellingen
gestalte geven een burger horen in te boezemen. Tegelijk was de filosoof ook
bezig met iets anders, dat pas twintig jaar later, begin jaren 1980 aan de orde
kwam, de zelfzorg, de oproep: “Epimeleia Héauton!” Zorg voor uzelf, onderzoek en
verbeter uzelf, zoals Socrates hem leerde. Maar noch Socrates noch Foucault
hadden een passend antwoord op wat dat in het concrete leven kan betekenen. De
cynische filosofen, Diogenes op kop, maar ook de aanhangers van Epicurus en
navolgers van de Stoa, elk hadden een beeld van wat dat kan betekenen. De
cynische filosofen en misschien ook wel de pilaarheiligen en andere quasi
mystieke woestijnbewoners die zich uit de samenleving terugtrokken hadden de
idee dat men dit alleen kon door een uiterste vorm van ascese en door zich niet
door usances en gebruiken te laten afleiden. Diogenes leerde zijn mensen hoe
dat hoorde door na een discussie rustig op het plein te masturberen. Enfin,
rustig…
De Stoïcijnen en de epicuristen zochten andere
wegen om hun zelf te onderzoeken en voor dat zelf te zorgen, wat uiteraard niet
zo eenvoudig is, want de ene vond dat men genot niet mocht zoeken en vooral
niet aangeroerd mocht worden, noch door het goede dat iemand ten deel kan
vallen, noch door het kwade. De epicuristen vonden dat genot niet afgewezen kon
of kan worden, maar zetten ertoe dit genot zo te beleven dat men zichzelf of
anderen geen schade berokkend, bijvoorbeeld door verregaande dronkenschap of
ja, misbruik te maken van een ander, seksueel of anderszins.
Deze verschillende stromingen zijn met de
ontwikkeling van het christendom niet afgestorven, maar zoals Foucault zelf
opmerkt, heeft men de zelfzorg niet voldoende ruimte geboden en vooral ingezet
op pastorale zorg. Die figuur maakt hypocrisie niet alleen denkbeeldig, het
ontwikkelde ook een ethisch discours dat niet voor zichzelf bestemd was of is,
maar vooral voor anderen zou gelden. De zelfzorg van priesters, maar ook van
christenen beperkte zich tot het schoon houden van de lei. En tijdig de zonden
biechten natuurlijk om niet in staat van doodzonde of onvergeeflijke zonde te
leven, was aangewezen. Maar aan zelfzorg
kwam men niet meer toe.
Het belang van deze gedachte is niet dat we
hiermee aangeven dat wie daarmee bezig was vanzelf in hypocrisie verviel, maar
wel dat het op meer dan één manier een handig scherm was, waarachter
men eigen inzichten kon verbergen. In die zin zou men kunnen zeggen waren
mensen als Voltaire, Goethe of Belle van Zuylen – aka Isabelle de Charrière - beter in staat hun eigen
positie voor zichzelf helder te stellen, waarbij opgemerkt kan worden dat deze
voorbeelden er een voorbeeldige levenswandel op na hielden in de zin dat ze zich
aan de gebruiken hielden. Vandaag zien we dat politici en bekende figuren op verschillende
manieren in opspraak komen, net op het terrein van hun levenswandel, waarbij
men zelden nog onderzoekt of die figuren
in hun bedrijvigheid echt wel tekort schieten of van belang zijn. Madonna? De
voetballers van het Nederlandse of Engelse voetbal? Maar vooral, wat zijn die sportieve of quasi-artistieke vaardigheden afgemeten aan wat een Robbert Dijkgraaf te vertellen heeft of een
Jean-Jacques Cassiman. Hoe vallen sommige parlementsleden, zoals een zoontje van Europees commisssaris Karel De
Gucht echt te waarderen als zij nooit eens op de rooster gelegd worden?
De kwestie dat elke opinie
evenwaardig zou zijn, meer nog dat men de spreker een gedachte laat uitspreken
zonder echt te laten zien dat die nergens op slaat, maakt het moeilijk tot echte waardering te komen. Het is immers niet omdat
hij de zoon is van de vader, de bij willen zeer scherpzinnige Europees commissaris dat Jean-Jacques De Gucht - de zoon dus - er niets dan wel alles
van bakken zou. De proef is of hij in een tegensprekelijk debat
een goed verhaal heeft dat hij goed kan argumenteren. We mogen natuurlijk niet al onze pijlen op deze man richten, maar als zo iemand bij het publiek enige argwaan wekt, dan begrijpt een mens niet dat de partij
hem die steun geeft. Hetzelfde geldt voor andere stamboekpolitici. Het argument
dat zij met de politiek zouden zijn opgegroeid kan men maar even ernstig nemen.
Wie als burger leefde en opgegroeide in een familie waar de publieke zaak naast
andere aan tafel met familie en vrienden besproken werd, weet dat de
kinderen van politici hoogstens het voordeel hebben om in het netwerk van de vader
of moeder te functioneren. Er is overigens zelden sprake van enige kritische
distantie bij die jongeren. Waar dat in de jaren zestig en zeventig evident
was, soms tot het belachelijke toe, waar Harry Mulisch een mooi voorbeeld van
geeft in de figuur van Onno Quist, dan is het zo dat de huidige jonge generatie
politici, kinderen van politici niet de moeite nemen dat gedachtegoed, of het
nu socialisme is of liberalisme, christendemocratie, te onderzoeken.
En de media? Die lieten niet alleen begaan, die
ondersteunden die praktijken, gaven zonen en dochters extra exposure in een
beweging die overigens gepaard ging met een oproep dat de politiek professioneler
moest. Terwijl loopbanen korter werden, begon men te bedenken dat een politicus
best lang in het ambt bleef, want dat zou de kwaliteit van de besluitvorming
verhogen.
Nu zien we bijvoorbeeld dat het opnemen van ASLK
in Fortis enerzijds en van Bacop via het Gemeentekrediet naar Dexia geen goede
beslissingen waren, maar op het ogenblik van de besluitvorming als evident werden beschouw; zo, kan men
begrijpen dat mensen die gang van zaken niet goed begrijpen en steeds meer
politici, maar ook hun adviseurs gaan wantrouwen. Het punt is dat de osmose van
politici, academici en consultants het gevolg is van het feit dat zij
vergelijkbare opleidingen hebben gevolgd. Op zich hoeft dat geen problemen te
geven, als politici en de anderen betrokkenen zich er rekenschap van geven dat
ze op die manier de mogelijkheid op tunnelvisie vergroten. Het verhaal van
Fortis, maar ook dat van andere banken maakt onmiskenbaar duidelijk dat die tunnelvisie niet tot de politiek
beperkt was. Opgemerkt mag in dit verband ook worden dat de ontwikkeling van
het neoliberale gedachtegoed, zich situeerde in kringen van uit Europa
geïmmigreerde linkse filosofen, zoals Leo Straus. Zij hebben er mee toe bijgedragen dat onder
Reagan en Tatcher een politiek beleid kon ontstaan dat zich minder met de
samenleving en meer met hun ideologische preoccupaties gingen inlaten. Dat dit
gevolgen had voor de samenleving en voor het vertrouwen in de politiek, bleek
niet alleen in de VS.
Waarop is dat wantrouwen gebaseerd en hoe uit dat zich? Dat mensen de kerk wantrouwen komt mij nogal ongerijmd voor: wie niet
geloofd in de genade van de heer en de genademiddelen van de kerk, heeft er
geen boodschap aan. Maar, we vertrouwen ons lijf en onze leden toe aan de
zorgen van christelijke ziekenhuizen, bejaardenhomes en onze kindjes aan het
vrij onderwijs. Zelf denk ik daarom dat een deel van dat algemene wantrouwen
vanzelf afstraalt op de instellingen, maar dat de betekenis ervan moeilijker
te verwoorden valt dan men zou denken.
Even terzijde, maar niet geheel en al: Een
school meldt dat ze vandalisme wil tegengaan en in eerste instantie zou men
alleen na de schooluren de camera’s aan het werk zetten. Maar vervolgens blijkt
dat de leerlingen ook tijdens de schooluren zouden gevolgd worden. Noemden wij
het college een gevangenis, dan kenden we de mazen van het net en wisten
tegelijk dat als we gesnapt werden het gele briefje voor de strafstudie klaar
lag. En thuis volgde dan ook wel een sanctie. Maar tegelijk wisten we dat we
dus dingen konden doen, aan het oog van de bewaking onttrokken. In feite ging
het er fair aan toe. Men zegt dat dit de hypocrisie zou bevorderen, maar
misschien is dat maar gedeeltelijk zo. Plaatst men camera’s en gebruikt men die
om leerlingen te vatten op roken of andere dingen die niet direct horen, dan
ontstaat een cultuur van wantrouwen, die niemand ten goede komt. Men merkt dit
overigens in het verkeer. Men plaatst camera’s, radio-omroepen geven mee waar
geflitst wordt en mensen gaan behoorlijk zenuwachtig rijden. Tegelijk valt het
op dat het moeilijk is de echt gevaarlijke chauffeurs van de baan te houden,
want de politierechter kan wel streng spreken, de behandeling van zaken duurt
wel eens zeer lang en de argumenten tegen de doodrijders blijken niet altijd
weerhouden te kunnen worden. Soms heeft men de indruk dat de rechters wel zouden
willen maar dat ze de kleine inbreuken, die nu administratief geregeld worden,
waarbij de politie lang niet altijd de opmerkingen van de beboete personen
leest en er feedback op geeft, zodat de pekelzonden naar verhouding
onontkoombaar blijken en andere gewoon door de mazen van het net glippen.
Vertrouwen is een moeilijk begrip, wantrouwen
lijkt gemakkelijk te verwoorden, maar de betekenis ervan in de samenleving moet
men wel goed onder ogen nemen, want zoals de school de leerlingen niet vertrouwt,
blijken de overheidinstellingen, de regering, ambtelijke kaders en het gerecht
in hoge mate uit te gaan van de kwade wil van de burgers, zonder na te gaan of
dit gerechtvaardigd is. John Adams, een jurist en president van de VS, de
tweede en opvolger van Georges Washington gaat in zijn consideraties over het
optreden van de overheid verder dan het habeas corpus. Want hij meent dat de
overheid niet zonder reden burgers mag verdenken. Het hele beleid ten aanzien
van mogelijk terrorisme of dolle schutters kan men dan ook wel bedenkelijk
noemen. De veiligheidscultuur bedreigt, meent een enkeling, de vrijheid. De
overheid werkt dus het wantrouwen van de burgers in de hand.
Het valt me op dat men die onderzoeken voert en
dat men ons niet vertelt of iemand die de overheid wantrouwt nu wel of niet
aanvaringen heeft gehad die hem of haar tot dat wantrouwen kunnen drijven. Een
vrouw die verkracht werd en wier verhaal bij de politie en vooral het parket
geen gehoor vond, kan de instanties wantrouwen. Maar had men geen lijfelijk
contact met het gerecht, dan is het wantrouwen wellicht gerelateerd aan wat men
verneemt van derden, in het bijzonder de media. De discussies over de gerechtelijke
achterstand, de rechtsonzekerheid ook en het weigeren een onderscheid te maken
tussen burgerlijke rechtszaken over belangenconflicten versus strafzaken, het
blijft het debat bemoeilijken. Maar ook de wetgever dient hier na te denken
over het eigen optreden, want soms lijkt men zomaar regels uit te vaardigen,
die dan nog niet altijd doelmatig zijn. De mammoetwetgeving en recent de
discussie tussen John Crombez en Rik Torfs over een regel in de programmawet
waarmee de hoogte van de gerechtelijke boetes gewoon verdubbeld zou worden, verhelpt
ook niet veel aan het wantrouwen.
Het punt is dat er natuurlijk redenen zijn om
de ander te wantrouwen en het voor de overheid gemakkelijk valt mee te roepen dat
vertrouwen goed is, maar controle beter. Die gedachte kan men moeilijk
afwijzen… maar men moet dan wel begrijpen dat het nog moeilijk is voor de
burger om de juiste bedoelingen van de wetgever en bij uitbreiding de
ambtelijke uitvoering ervan te vatten. Wie een paard heeft dat een veulen
werpt, moet al onmiddellijk aangeven wat er later met het volwassen paard zal
gebeuren, slachthuis of vilbeluik. We moeten ons afvragen of die manier van
regelgeving niet al te rigide is en iemands belangen dient. Toch heeft men het
zo beschikt – gewoontegetrouw verwijzend naar Europa – want het zou gaan om de
voedselveiligheid. Wie een paard gebruikt voor recreatieve doeleinden en dus
niet voor de draverij of andere competities, zal weinig redenen hebben een
paard ongezond te voederen. Het punt is dus dat de regel helemaal nergens op
slaat. Want men kan het paard best alsnog laten slachten en als er een boekje
is van de verzorgende dierenarts zal men wel weten of er op enig moment
antibiotica is toegediend.
Maar dan hebben we het nog niet over
actiegroepen. Wat met Gaia, waarvan de aanhangers nertskwekerijen gesloten willen zien. Het is hun
vrijheid die diertjes te willen beschermen, maar toch vraag ik mij af of de
ondernemer die de diertjes kweekt voor de velletjes en de dames en heren die
bond willen dragen dan helemaal geen recht hebben op natuurlijk bont. Men vermijdt
zo dat het wildbestand in Alaska of Siberië helemaal uitgeput wordt. Men
vermijdt dat niet door de controle op de nerstkweek naar andere landen te laten
verkassen. En mag men dan geen bont dragen? Waarom zou ik mij daarover uitspreken.
Is de keuze van kleding niet een behoorlijk particulier recht er zelf over te
beschikken.
In horecazaken mag men niet meer roken, maar
mensen die tot nu op maandag gingen kaarten, zelfs al rookten ze zelf niet,
zien hun vrienden die wel roken niet meer opdraven. Een babbel in een café kan
ook zonder rook, maar ook hier heeft de overheid conflicterende rechten wel zeer
betuttelend opgelost. Onder aanvoering van juristen overigens die nooit hun
volledige agenda hebben bloot gelegd. De meest extreme vorm van controledrift
viel onlangs te zien op de Nederlandse televisie, de uitbuikplaatsing. Een
bizar woord, waarbij een moeder nog tijdens de zwangerschap in de
onmogelijkheid wordt geplaatst haar kind goed te voeden en te verzorgen en dus
wordt het kind bij geboorte onmiddellijk weggenomen en bezorgd aan een
pleeginstelling of -ouders. Intussen blijkt niet dat elke uithuisplaatsing
gegrond is en dat de kinderen erge psychische schade oplopen, vooral inzake vertrouwen in mensen. Maar de instellingen die zich ter zake bevoegd weten
durven zich geen foute inschattingen veroorloven. Dus beter voorkomen dan
genezen en aan het einde van de rit…
Het is niet zo dat wantrouwen geen grond zou
hebben, wel is het zo dat er in deze samenleving weinig aandacht wordt besteedt
door de media aan het ondersteunen van goed vertrouwen. Dat vertrouwen is niet
altijd rationeel te argumenteren, het komt me voor dat het de nodige smeerolie
levert opdat we in een samenleving, versplinterd en anoniem als die is, nodig
hebben om te kunnen handelen. Vele discussies, zoals over de hoofddoek hebben
in wezen te maken met een fundamenteel wantrouwen. Filip De Winter zegt dat de
hoofddoek de vlag is van de onderdrukking van de vrouw, dat hij de erfenis en
traditie van de Verlichting zou verdedigen, maar of dat werkelijk zo is? Die
vraag kan hij niet beantwoorden zonder met zichzelf in tegenspraak te komen.
Maar zijn tegenstanders? Ook zij hebben een probleem, want de gelijkheid van
man en vrouw… is een universele waarde en dus moet men zich afvragen hoe men
jonge moslima’s kan overtuigen die hoofddoek niet te dragen en tegelijk te
aanvaarden dat ze leven volgens de regels van hun religie. Want ook dat is
natuurlijk een universele waarde: de vrijheid van levensovertuiging. Men
begrijpt niet voldoende dat de waarden waarmee we zo gemakkelijk
leuren in de praktijk van het dagelijkse leven niet altijd zomaar ook tegelijk te
hanteren zijn. Het wantrouwen is in dit opzicht vooral een symptoom van het
onbehagen dat veel breder is en voor een deel op het fundamentele onbegrip
wederzijds tussen de société civile en de besluitvormers zou bestaan. Maar dan
komen we terecht in een discours tussen het wettelijke en werkelijke land en we
weten hoe heilloos dat geweest is.
Ook de herhaalde oproepen voor meer populisme,
onder meer door David van Reybrouck en door Ludo Abicht, wekken de indruk dat
men de burger naar de mond moet spreken. De praktijk van het populisme is met verve bedreven door Louis Toback toen hij zegde dat hij zich voor de
TGV zou werpen mocht die in Leuven passeren. Of dat hij zelfs in de woestijn
voor een rood licht zou stoppen. Ook andere politici kennen er wel van, maar
een deel van het probleem zit hierin dat men niet technisch uit de hoek mag
komen of de argumentatie voor een stellingname mag verwoorden.
Maar de ergste vorm van populisme bestaat
hierin dat de media niet altijd voldoende aanduiden waar bij een besluit
voor de betrokkenen de voor- en nadelen schuilen.
Belastingen heffen is niet leuk en in dit land is het haast niet meer mogelijk
de aanslagvoeten nog te verhogen. Anderzijds weet men dat de overheid
vele verplichtingen op zich heeft genomen. Hoe een en ander met elkaar te
verzoenen? Het probleem zit er natuurlijk in dat we ons niet betrokken weten
bij die staat, de Vlaamse meer dan de Belgische en van Europa heeft men vandaag
vooral de indruk dat het een nare aangelegenheid is. Kritiek op de staat? Op
politici en vooral regeringen? Uiteraard moet dat kunnen, maar men dient toch
te weten dat er een verschil is tussen het onderzoeken en indien nodig afwijzen
van het beleid op concrete stukken, bijvoorbeeld het beleid van Crevits om de
wegen te verbeteren. Of van Bourgeois die veel energie steekt in integratie of
het beperken van de uitgaven van de provincies. Afschaffen lukt vooralsnog
niet, net zo min als de fusie van de te kleine gemeenten. Het zijn kwesties die
het algemeen kader niet in vraag stellen. De discussie over het wantrouwen laat
echter zien dat we het algemene kader en de geplogenheden niet meer
begrijpen of accepteren.
Het verhaal zal hiermee niet afgerond zijn.
Maar men kan onderzoeken hoe het met het wantrouwen is gesteld en hoeveel
vertrouwen mensen nog hebben in instituties, bij afroep per institutie? In de krant vertelt een meisje dat
ze het toch lastig vindt dat haar ouders gescheiden zijn. Dat wil men niet
helemaal gezegd hebben, maar wie het goed leest merkt dat dit meisje in feite
ontgoocheld is over dat gebeuren, dat haar ouders afzonderlijk een eigen leven zijn
begonnen. Het goede recht van die ouders?
Uiteraard. Maar men mag zijn vrijheid niet zo hanteren dat de vrijheid van
anderen niet geschaad wordt. In dat geval is er niets aan de hand. Maar men mag
ook anderen niet schaden, toch? En dan kan men zich afvragen of dit meisje niet
geneigd zal zijn instituties te wantrouwen? Men heeft, we weten het, decennia
lang het gezin een hel genoemd. Men heeft vele aspecten van het wettelijke
huwelijk om allerlei redenen afgerond, afgeveild.
De onzekerheid van het leven is een oud thema,
in de kunst te berde gebracht in vele memento’s. Doodskoppen in een stilleven
als garantie van het bewustzijn dat de welstand en ook het goede leven eens
over zijn. Die kwestie is echter behoorlijk algemeen. De vraag over vertrouwen
kan men niet zomaar voor alle instellingen in hun algemeenheid benaderen. Hebben
mensen goede contacten in hun directe omgeving? Is de autoriteit van de ouders
voor een kind, kinderen ook een borgen van hun welbevinden, vinden ze zich in
goede handen. Men kan de autoriteit van ouders, leerkrachten en andere
volwassenen niet zomaar gunstig beoordelen, maar het kan ook niet dat men die
altijd en vanzelfsprekend onderuit haalt. Foucault vond dat men de taal van het
gezag diende de wantrouwen. Maar de kwestie was en blijft of men het gezag in
het democratische samenleving op dezelfde manier kan, mag wantrouwen als men het gezag in
een dictatuur zal wantrouwen - als men het gezag niet meer vertrouwt. Het gezag in een democratie staat onder controle, van de
parlementen, van media en van mondige burgers. Aangenomen dat iedereen zich
naar best vermogen inzet, zal het systeem wel naar behoren werken. Die overtuiging blijkt niet uit het
onderzoek. De vraag is of we nog wel doorhebben hoe die verschillende
structuren en mechanismen op elkaar inwerken.
We weigeren dus aan te nemen dat ons bestel
zozeer ondergraven is dat het hele systeem niet meer zou functioneren. Want
daar wijst het onderzoek op, terwijl men in Vlaanderen en in Europa inderdaad
enige twijfels, zelfs sterke twijfels heeft over de politici. Maar aan de
andere kant bestaat een stilzwijgende consensus over algemene normen – ondanks alle stennis – en waarden die
een grote meerderheid van het publiek wel degelijk in acht neemt. Waarom? Die
vraag zou men toch eens moeten onderzoeken. Omdat, ruw geschetst velen in onze
samenleving begrijpen dat een bepaald gedrag wel degelijk het eigen welbevinden
ten goede kan komen.
Het herstel van het vertrouwen zal men niet
pimpen. Het vertrouwen zal maar hersteld raken als we opnieuw begrijpen dat het
politieke gebeuren belangrijk is op een algemeen niveau en werkt voor het
geheel. Maar de wijze waarop politici met het particuliere omgaan dient wel
onderzocht en in zekere mate ook onder controle gehouden. Maar ook daarvoor
zijn er instellingen, zoals de Raad van State en het Grondwettelijk hof. Deze
instellingen blijken soms wat te zeer als politieke pionnen ingezet te worden,
ook door burgeractivisten… want ook zij moeten er zich van vergewissen dat hun
retorische aanpak verifieerbaar is. Het verhaal blijft verbazen, dat men fijn
stof in een deel van Antwerpen zegt te willen aanpakken, terwijl men daardoor
anderen met de problemen ervan blijft opzadelen. Ook daar blijkt dat mensen het
vertrouwen niet zomaar kunnen schenken.
Tot slot, we zijn geen wezens die zomaar een
sociaal contract aangaan. Het verhaal is wat het is, een mooie idee, maar als
men alleen die benadering voor ogen heeft, kan men de complexiteit van de
menselijke aard niet begrijpelijk maken. Het punt is natuurlijk ook dat dit mee
aanleiding heeft gegeven niet sinds gisteren, ook niet sinds de Verlichting
maar sinds de ontwikkeling van de middeleeuwse samenleving van omgangsvormen en
gebruiken die de moeite waard waren omdat ze precies veiligheid beloofden: geen
wapens in de openbare ruimte, open vizier, de rechterhand schudden… uiteraard
was het nog geen paradijs en geweld valt niet helemaal te vermijden, omdat we
het individuele handelen niet altijd kunnen controleren. Men heeft gedurende
een lange tijd de klassieke ethische regels gebonden aan de kerk terwijl de
kerk hier een proces op gang had gebracht dat finaal de samenleving wel
degelijk ten goede kwam. Tom Holland heeft dat in “de gang naar Canossa” mooi
beschreven. Het ging erom, dat de kerk als enige de bron van kennis – vanuit de
oudheid – inzichten in handen had over het (stedelijke) samenleven en die om
pragmatische, staatvormende redenen via vormen van “vrede”, veilige plaatsen
voor burgers, boeren en buitenlui wilde organiseren. Het feit dat men vandaag
de hele organisatie van de samenleving vooral in een negatief kader plaatst,
kan men gemakkelijk verbinden aan sommige filosofen, om Foucault of Derrida niet
te noemen, maar bij nader toezien kan men zich afvragen of hun analyses zo
eenduidig waren als we het vandaag graag voorstellen. Het onderzoek van
Foucault heeft de taal van de autoriteit geproblematiseerd, maar hij heeft niet gesteld dat
elke autoriteit an sich per se dezelfde bedenkelijke achtergrond en verdoken
vormen van machtsuitoefening aan de dag legt. De conclusie mag noch kan zo eng
geformuleerd worden. Zelf heb ik in mijn onderzoek naar de rol van de angst in
de vroegmiddeleeuwse samenleving vastgesteld dat er een ruimer kader is waarop
de samenleving menselijke ervaringen en emoties heeft leren te kanaliseren.
Even vaak waren er pogingen dit voorbij het redelijke door te trekken en dan
ontstonden er problemen.
Met deze bedenking kan ik wel afsluiten en
vaststellen dat een van de redenen van argwaan, wantrouwen nu net te maken
heeft met het vergeten van de jacobsladders waarlangs de samenleving met vallen
en opstaan vormen heeft gevonden de samenleving niet zozeer te ordenen, dan wel
grote spanningen te vermijden tussen individuele verwachtingen en
maatschappelijk aanvaardbaar gedrag. Dat was noch is een zaak van zwart of wit,
maar er was en is eerder sprake van speelruimte, een zekere bandbreedte.
Onderzocht zal dus maar eens moeten worden waarom we vandaag zo scherp de aandacht
vestigen op wat kan en niet kan. Om het met Stephen Toulmin te zeggen, de zaak
is niet of het juist of fout is, maar of we er redelijke argumenten voor
hebben. Helaas, vandaag is God een begoocheling. Maar soms kan die begoocheling
gunstig uitpakken. Ook de rede kan een begoocheling blijken, als men er geen
gebruik van weet te maken.
Bart Haers
Reacties
Een reactie posten