De hervormer is (g)een speler
Reflectie
De hervormers
Beleid
zonder reflectie?
![]() |
Het werk van de houtsnijder, van ambachtslui blijft vandaag vooral een kwestie van kenners maar toch blijkt het belangrijk dat we die vaardigheden ook respecteren en vooral waarderen. |
Marcel Pagnol schreef over het
enthousiasme van onderwijzers en leraressen die de kinderen wilden vormen,
inderdaad naar een bepaald beeld en een bepaalde idee. Het blijft ook opvallend
dat iemand als Hugo Verriest en zelfs Guido Gezelle, maar uiteindelijk vier,
vijf generaties onderwijzers, pedagogen werkten aan verbeteringen van het
onderwijs. Altijd was er een discussie over de aanpak, maar ook en zeer vaak
over de inhoud.
Vandaag merkt men dat men
discussies over formele aspecten voert, maar niet of zelfs totaal onvoldoende
over hoe kennisoverdracht verloopt en wat dat betekent voor de creativiteit. Hoe
kan men in het hoofd de klank, het rytme, de prosodie van taal opnemen, waarmee
men spreken kan. Oh, er zijn zogenaamde laaggeschoolden die zeer goed met taal
overweg kunnen. Er zijn hooggeschoolden die met de taal al helemaal niet uit de
voeten kunnen en al helemaal niet met conflicterende inzichten. Daarom kiezen
we voor duale benaderingen, waarbij niet het compromis zonder smaak of kraak
het alternatief is, maar veeleer de doorgedreven analyse gevolgd wordt door… de
goed afgewogen actie op basis van conclusies die niet om politieke redenen zijn
bijgestuurd. Maar er zijn domeinen, zoals alles wat met de cultuur en
antropologie te maken heeft, waar analysemethodes een zekere subjectiviteit
niet uitsluiten. Als het gaat om wat mensen ervaren en de reflectie daarover
komt vaak men terecht in een raamwerk, verbonden met wat men acceptabel acht of
niet.
Ook de pedagogie zit in dat
kader vast waarbij een lange traditie van filosofen, die vaak vanuit die
discipline nieuwe wetenschappen, zoals de pedagogie dus, hebben ontwikkeld. Was
de pedagogie volgens de experten van het vak tot het begin van de twintigste
eeuw nagenoeg onbestaande, dan moet men wel bedenken dat aan de ene kant
Rousseau al een basis had gelegd voor een opvoedingsproject waarbij de pupil
vooral zelf moet ontdekken waar hij de nodige kennis kan halen om de weg uit
het bos naar een nabijgelegen uitspanning te vinden. Let wel, Rousseau leefde in
de 18de eeuw, maar het probleem is vandaag dat zo een jongen of
meisje een smartphone met google-maps of andere apps om de weg te vinden.
Waarom zouden we zoeken, de weg wordt ons getoond. Aan de andere kant, kijkend
naar het schermpje, zie je niet wat er te zien is. Wandelend in de buurt van Einsiedeln
kan men dus een deel van de tocht niet maken, als men niet goed weet hoe de valleien
zich oriënteren, dus dat vraagt wel enig zoekwerk, uitleg en verwerken.
Deze middag zat ene Frank
Albers in de studio hoog op te geven met Jean-Jacques Rousseau en diens
onvolprezen werk over de ongelijkheid en dat andere over het sociaal contract.
Uiteraard heeft de man met zijn geschriften, niet in het minst “Emile ou l’éducation”
en “Julie ou La nouvelle Héloïse” waarin hij aan de ene kant de rationeel
gefundeerde morele principes ter discussie stelt en anderzijds aan
authenticiteit grote aandacht besteedt. Waardevolle benaderingen? Zeer zeker,
maar we vragen ons af, met Maarten Doorman of die authenticiteit wel zomaar
haalbaar is. De kwestie leek en is in wezen nog steeds dat authenticiteit niet
altijd even spontaan is, en het spontane gedrag niet per definitie authentiek
kan zijn.
Enkele aspecten komen in het
debat over politieke hervormers en hervormingen aan de orde, maar zeer
pertinent blijken die als we kijken naar het hervormingsbeleid inzake
onderwijs. Alleen weet men vandaag deze inzichten over authenticiteit bekwaam
te verdoezelen, net zoals men de vraag moeilijk kan beantwoorden hoe het met de
rol van het onderwijs als instrument van sociale mobiliteit is gesteld. Het
pessimisme is behoorlijk groot en lijkt de hervormingsgezinde gemeente tot
straffe dadendrang aan te zetten. Het onderwijs zou namelijk het bestaande
bestel en vooral de armoede blijven reproduceren, in plaats van kinderen een
beter leven te bezorgen dan hun ouders. Dat de samenleving niet per definitie
rechtvaardig is, mag duidelijk zijn, maar of het onderwijs daarom niet
voldoende zou doen wat men er verwacht komt ons voor een vreemde conclusie te
zijn, want het onderwijs, tja, dat is een gigantische machinerie en
bureaucratie, waar noch de pupil noch de opvoeder echt aan de orde staan, wel
precies het systeem. Anders gezegd, wie over het onderwijs spreekt, vergeet
doorgaans dat de vele discussies over het systeem en het management van het
systeem zelden het onderwijsgebeuren, de relatie tussen leerling(e) en
leerkracht, noch de houding van beiden afzonderlijk tegenover de leerstof in
het geding brengen. Uiteraard zijn de leerkrachten én de leerlingen puur
particulier en dus ook de verhoudingen contingent, gebonden aan een
voorgeschiedenis en gericht op een niet te bevroeden toekomst.
Kan men de discussies over het
systeem, de systemen scheiden van de concrete onderwijsmomenten in de klas,
klassikaal of, zoals in kunstrichtingen individueel? Sommigen menen van niet
omdat het doel moet zijn, zegt men, de leerling zo te vormen dat hij aan het
einde van een traject in het kader van het leerplichtonderwijs op gelijke voet
kan staan met de anderen. Na zes jaar basisonderwijs moet elke leerlingen in
staat zijn te lezen, te rekenen, te schrijven en liefst ook nog te spreken.
Moedertaal, vraagstukken, eenvoudige rekenformules moet een leerling mee
hebben. Moet een leerling gedichten kennen? Vroeger leek men over de canon niet
te twijfelen, vandaag twijfelt men zelfs over het nut van een canon, laat staan
dat kinderen veel moeten memoriseren. “De Spin Sebastiaan”? of “Het spook” over
een afgewaaide tak. Op zich stelt het literair niet veel voor, maar het laat
wel toe de kenmerken van een gedicht op te nemen en bovendien, bij het
voordragen de klankkleur, de prosodie onder de knie te krijgen.
Moet men dan echt kennis
memoriseren? Zing mij van de man en de wapenen? Juist, Aeneas, die als eerste
Troje ontvluchtend naar Italië kwam op de Lavinische kusten. Eerlijk is
eerlijk, wij hoefden het ook niet te leren. Net zo min als de 4de
ecloge waarin men twijfelen kan of het over een (religieuze) heiland dan wel
over een vorst gaat – soms zijn beide niet goed te onderscheiden – dan wel de
eerste over de herdersjongen die onder een beuk gelegen zijn lied speelt op een
fluit.
Dit is het aanknopingspunt
waar de hele discussie over het nut van het leren van het Latijn of Grieks,
maar evengoed Hebreeuws, Sanskriet naast moderne talen op spaak loopt, omdat
men de creativiteit van de teksten, toen, niet meer herkent. Een ander
aanknopingspunt is minstens even pertinent, dat is het denken, tot en met
Spinoza zich bediende van die talen en vooral, dat, om bepaalde inzichten te
ontwikkelen de vervreemding via de taal best nuttig kan werken. Er zijn heel
wel moderne teksten te lezen, zoals de Lettres Philosophiques van Voltaire, de
Faust van Goethe, drama en tragedie bij Racine, Shakespeare en uiteindelijk de
grote auteurs als Merlowe, Faulkner, Mann, Stendhal… maar we vragen ons wel of
de school nog wel onderdak verleent aan deze auteurs, of liever, hun werken nog
aanbiedt aan de leerlingen.
De hervormers spreken zich
opvallend genoeg niet uit over deze inhoudelijke kwesties en toch is dat de
basis van het onderwijs. Aap, Mies, Noot, in de eerste klas, waar de ene op 1
november al mee weg is en de ander pas een half jaar later, dat is de realiteit
van het onderwijs. Optellen, aftrekken, vermenigvuldigen, tafels van
vermenigvuldiging, handig om verhoudingen tussen getallen met een oogopslag te
zien, het heeft alles betekenis. Maar die zaken komen niet in decreten terecht,
toch? Wel zeker, want we hebben een parlement dat zich heeft ingelaten met het
vaststellen van de eindtermen, per graad en zo vastgesteld wat leerlingen
minstens moeten kennen, waarbij de verschillende richtingen in het middelbaar
in theorie eigen eindtermen horen te hebben.
Nu wil men alvast voor de
eerste graad een brede vorming voor iedereen aanbieden, maar hoe kan men op die
manier minimale eisen voorstellen, waarbij leerkracht en leerling nog enig
genoegen beleven aan het worstelen met de leerstof. Net omdat het principe van
die hervorming niet voortkomt uit aspecten van het onderwijs die beter kunnen,
maar om vaststellingen die het onderwijs vreemd zijn, zoals de sociale
ongelijkheid of de bereidheid, respectievelijk het gebrek aan bereidheid van
leerlingen om zich op die leerstof te werpen, zal de botsing tussen de voorop
gestelde sociale correctie en de onderwijspraktijk echt wel tegenvallen.
Klaas Norel, geboren 1899 kon
niet al te lang naar school, maar werd uiteindelijk toch journalist en ook
politicus – op de achtergrond. Hij was inderdaad uitgesproken christelijk
(protestants uiteraard) maar in zijn jongensboeken was het overwinnen van
moeilijkheden, van de kleine Aart Wessels, scheepsmaat Woeltje, tot kapitein en
medestander van Piet Heyn, over de Engelandvaarders tot de jonge visser die
uiteindelijk kapitein ter lange omvaart werd, telkens gaat het om een vermogen
zichzelf boven de omstandigheden te verheffen. Uiteraard ligt een verwijzing
naar Ciske de Rat, tot Cis de man, voor de hand en Theo Gijsen is ook nog zo
een auteur die… maar goed, zoals men in verband met het werk van Emanuel
Leroy-Ladury over de familie Platter opmerkt, dat is het verleden. We kennen
ook, sommigen toch de saga van de jonge knaap die het schopt van krantenjongen
tot miljonair, de Amerikaanse droom, niet?
Het onderwijs heeft daarbij
een groter belang dan men vaak bevroeden wil, omdat men ervan uitgaat dat de
school an sich een vervelende bezigheid is. Uiteraard is dat zo als men die
periode moet doormaken, al is het ook, wie er eerlijk voor uitkomt blijft zeldzaam,
een mooie tijd. En bovendien, wie de hoger genoemde titels zag, weet dat ook
wij onze verhalen hebben zoals “De Witte” van Ernest Claes, waar Louis na het
einde van de schooltijd zelf kiest om in de uitgeverij van Averbode te gaan
werken. Die clou, heb ik de indruk, vergeet men graag, terwijl dat de reden was
waarom Ernest Claes dat boek schrijven wilde, met name dat de schavuit de Witte
doorheen zijn avonturen een eigen identiteit ontwikkelt en geleidelijk ontdekt
dat hij zelf iets moet doen. Van zijn vader, moeder of broers zal het niet
komen. En boer worden zint hem niet.
In die zin is de discussie die
de hervormers willen voeren zelfs niet toegespitst op deze tijd en nog minder
op de jongeren van deze tijd. Die zijn niet anders dan de jonge Stefan Zweig of
dan ik en mijn leeftijdgenoten toen we nog vol verwachting naar de toekomst
keken. De school is dan een bijzonder iets, maar waren wij er ons al niet meer
helemaal van bewust dat onderwijs genieten, middelbaar onderwijs en later,
eventueel de universiteit een voorrecht was, weliswaar niet voor enkelingen,
dan toch moest het niet zomaar ter consumptie worden genoten.
Wil men in de VSA onderwijs
als koopwaar gaan beschouwen en de kostprijs ervan opdrijven, zodat het
inderdaad meer en meer en voorrecht wordt, dan is ook duidelijk dat dit voor
een samenleving geen optie kan wezen. De hervormers lijken hier op twee ideeën
te hinken, die moeilijk verzoenbaar zijn: onderwijs moet de gelijkheid
bevorderen en vervolgens dient men onderwijs te zien in functie van de markt.
Discussiëren over het nut van het aanleren van oude talen kan geen bevredigend
antwoord opleveren. Discussiëren over de wiskunde die men kan aanbieden al
evenmin. Wie eenmaal vertrouwd raakt met de basis van de wiskunde, kan zich best
ook verder wagen in die kennis, waarvan men zegt dat die doorzichtig en helder
zou zijn, maar waarvan de elegantie pas blijkt als men er een heel eind weg in
is geraakt en vooral bedreven.
De hervormers hebben nog een
andere vraag op te lossen, die bij het bovenstaande aansluit: wat verwacht men
dat de leerling ervaart, lerende en studerende omwille van de punten. Het ligt
voor de hand dat zij daar niet zo wakker van liggen, gezien ze menen dat de
school leuk moet zijn. Het schrijven van een opstel, een verhandeling is al
heel wat minder leuk, maar is dat ook zo? Het nadenken als 17-jarige over de
vraag of een reis naar mars vandaag een zinvolle onderneming is om er geld en
mensen in te investeren, vraagt van die leerling nogal wat, minstens ook
inbeeldingsvermogen. Zou een jongere, geboren toen het ISS in bedrijf kwam of
er vage berichten waren over een ruimteschip Pioneer 10, of die andere
ruimtesonde, Pioneer 11, die iets sneller in beweging is, in outerspace? Deze
sondes bevinden zich nu buiten het zonnestelsel en dragen, zoals ik mij
herinner een droom mee van een echte reis naar het onbestemde. Toch merkt men
dat wie na 20 juli 1969 geboren is of meer nog na de dramatische vlucht van
Apollo 13 die ondernemingen haast even moeilijk begrijpt als de reis van
Maghelaes om de wereld. Maar waar het vooral om gaat, bij het schrijven van een
verhandeling, is het ervaren van een goed gevoel. Het is plichtwerk, maar het
kan ook daarom voldoening meebrengen. Dat blijft in het onderwijsdebat te vaak onbesproken.
De hervormers hebben weinig
fantasie en laten leerlingen noch leerkrachten weinig ruimte voor fantasie. Het
zou aankomen, vrees ik, als we hun houding vergelijken met wat sommige verhalen
over het onderwijs in Korea vertellen, waar kennis opdoen een burgerplicht is
en falen geen optie. Maar waarin falen? Men leest dat studenten aan de
universiteit zich vandaag belaagd weten door faalangst. Bijna schreef ik leerlingen,
net omdat soms de indruk ontstaat dat deze jonge mensen zich niet goed weten te
situeren als de student, die een eigen onderwijstraject uitstippelt en na drie
jaar een kandidaatsexamen deed, om vervolgens, als de nood dwong en het
verlangen naar een beter leven ertoe aanzette de doctorsbul te halen. Het is
een beschrijving waar Bomans mij mee opzadelde in Pieter Bas, maar waar
bijvoorbeeld Georges Rodenbach een voorbeeld van was. Men studeerde rechten,
werd schrijver, zoiets dus. Hebben we het nog over dat eigengereide dat de
student kenmerkt? Men kan zeggen dat dit
na 1969 niet meer aan de orde zou zijn, eerder kan men denken dat de studie
voor het diploma het heeft overgenomen, ook voor de universiteit die voordeel
heeft bij veel uitgereikte diploma’s.
Hier ontstaat denk ik, de
meest flagrante contradictie tussen wat men met onderwijs zegt te beogen en hoe
het uitpakt voor de student. Van hem of haar mag men grote autonomie
verwachten. Het onderzoek voor een eindwerk, vroeger voornaam thesis geheten,
vandaag heet dat papier of zoiets, is meer dan een obligaat nummer, maar toch,
als ik pas afgestudeerde jonge mensen hoor, is het vaak niet het eerste grote
project dat men onder handen neemt. Ook hier is slagen belangrijker dan
deelnemen. Het plezier de onderzoeksmethode te leren kennen en zelf uitrollen,
van het verwerken? Het blijkt soms ver te zoeken.
Kortom, mogen we vragen aan
onze vrienden onderwijshervormers zich af te vragen of al hun wilde plannen nog
ergens verband houden met de mogelijkheden en aspiraties, zowel van de leerlingen,
later de studenten, maar ook van de leerkrachten en docenten? Zo te zien is dat
de vreemdste vraag die men de hervormers voor de voeten kan werpen. En dus kan
men zich afvragen of hun bemoeienissen op enige legitimiteit berusten. Sociale
consideraties zijn belangrijk genoeg, maar kunnen als een boemerang in het
gelaat van de hervormers terug komen. Er zijn genoeg biografieën waaruit blijkt
dat de sociale mobiliteit precies via het klassieke systeem mogelijk is
gebleken. Aan de andere kant, wie meent dat het volstaat Vergilius te lezen
vergist zich ook. Maar, een student kan geen weg vinden als die niet op
verschillende manier getoond worden. De (bescheiden) autoriteit van de
leerkracht kan daarbij inspirerend werken. Maar dat is geen voorwerp van zorg
voor de hervormers. Omdat leerlingen geacht worden zelf te kiezen. Het zou een
nieuw stuk vergen dat probleem goed te omschrijven. Maar feit is wel dat men
graag de indruk wekt dat een keuze van de kinderen komt, waarbij de ouders vaak
de boosdoeners zijn… als het fout loopt. Nog eens, het gaat om een relatief
beperkt deel van de jongeren die geen diploma halen en verder is het zo dat wie
meent dat alles in een leven, van jongens, meisjes en later als die de vader of
moeder van de man of vrouw blijken, vanzelf verloopt en zonder horten en
stoten. Misschien is dat het punt, dat jongeren vandaag geen weerstand krijgen.
Bart Haers
PS Misschien toch nog eens denken aan wat Jean-Paul van Bendegem twee jaar geleden schreef: Hamlet en de entropie, waarin hij ervoor pleitte dat mensen zich evengoed zouden mogen schamen als ze wel alles van Hamlet afweten of van Jan Fabre, maar niets of heel weinig van de IIde wet van de entropie. Maar misschien kan het ook helpen wat meer respect op te hebben voor wie met materialen kan werken en er iets van maken. Maar dan komen wij bij onze riedel over vakmanschap terecht.
Reacties
Een reactie posten