Bas Heijne over Louis Couperus

Recensie

 Mens als bron
Tussen esthetische vervoering en de werkelijkheid

Bas Heijne. Angst en Schoonheid. Louis Couperus, de mystiek der zichtbare dingen.  De Bezige Bij Amsterdam 2013; pp. 141. Prijs: 18,90 €

Woensdag 9 oktober kwam Bas Heijne spreken in de Ambassade van het Koninkrijk der Nederlanden aan de Kortenberglaan te Brussel, op uitnodiging van de Buren. Een activiteit dat men als public Diplomacy kan bestempelen, maar de meerderheid van de toehoorders waren dan ook Nederlanders die in Brussel omgeving verblijven. Erg is dat niet, maar het begrip public Diplomacy wordt hier wel opgerekt. Wellicht ligt het aan het feit dat Bas Heijne kwam spreken over Louis Couperus, waarbij men de e als ee dient uit te spreken – fonetisch lijkt het wel nergens op, maar goed, veel mensen lijken er een doffe e van te maken – want dat moeten we als Vlamingen, als Nederlandstaligen. Maar toch, veel Zuiderlingen waren er zo te zien niet, uw dienaar en enkele anderen wel en genoten van een boeiend betoog.

Voor Vlamingen behoort Couperus niet meer tot de literaire horizon en dat valt te betreuren, want als een auteur ons echt wel iets heeft bijgebracht, dan is het wel deze wat bizarre man, die voor gevestigde auteurs, voor de Tachtigers en dan vooral Lodewijk van Deyssel een ongenode gast was, aan verbeelding heeft gebracht. Maar ook van deze van Deyssel, die toch “Een liefde” schreef, lezen we nog nauwelijks iets, kennen we eindelijk geen werken meer. Hoogstens komt de Kleine Johannes, van Frederik van Eden ter sprake, maar ook dat is geen evidente lectuur meer. Moeten we dat erg vinden? Ik ken maar weinig Franstaligen die hun grote literatuur niet meer lezen en een Duitser die niet vertrouwd is met Goethe of Schiller? Voor wie gymnasium gedaan heeft komt dat ook niet zo vaak voor. Soms lijkt het plicht, maar eenmaal men gegrepen is, verdwijnt de plichtmatigheid al snel op de achtergrond, zo liet ook Britta Böhler optekenen omtrent haar vertrouwdheid met Thomas Mann en andere mensen bevestigen dit. Natuurlijk hebben de Fransen ook de afgelopen dertig jaar enkele nieuwe titels toegevoegd aan de bibliotheek van het grotere werk, maar in Vlaanderen, meer nog dan in Nederland lijkt die catalogus steeds weer eerder af te kalven dan aangevuld te worden.

Over Johan Daisne, dacht ik, op weg naar Brussel, durft men welhaast niet meer spreken, over Hubert Lampo en zelfs over Hugo Raes werd niet zo heel stampei gemaakt. Maar goed, iedereen kent Herman Brusselmans, de televisie-figuur en dus is men literair mee. Maar over literatuur spreken valt overigens zeer moeilijk omdat recensenten er eindelijk graag met de klak – een pet dus - naar gooien. In NRC viel vorige week een recensie te lezen over “Er ist wieder da” – nu het boek verschenen is in Nederlandse vertaling - dat het boek rommelig geschreven zou zijn, maar in feite komt er nauwelijks een argument aan de orde om deze bevinding te staven. Werkelijk, Timur Vermes heeft zich als een homunculus in het hoofd van de ontwaakte Adolf Hitler genesteld en kan zo alle ervaringen van de man uit eerste hand optekenen. En zal het leven echt zo geordend verlopen bij een man die bij leven al bekend was voor zijn vele uitwijdingen tijdens maaltijden en theekransjes?  Verder komt de pertinente mediakritiek die in de roman de kern vormt, niet aan bod. Mag men van recensenten enige eerlijkheid verwachten? Dit is vilein afwijzen zonder het plezier – voor de lezer – van het fileren te mogen beleven.

Goed dus, we kwamen in Brussel, wandelen uit het Centraal Station – ooit ontworpen om reizigers uit het Noorden vlot naar het diepe Zuiden, Parijs, Nice, Rome te brengen toen de trein echt nog ingericht was om te reizen - naar de Koninklijke galerijen en namen het er nog een uurtje van om te lezen. Het essay van Bas Heijne biedt immers een best wel leesplezier. Neen, vilein is het dus niet en dat zal voor velen de pret bederven, maar het is wel een ongelooflijk boeiend boekje. Schrijven om bewondering aan het publiek kenbaar te maken? En toch, die bewondering is niet zonder nuances…

Ha, hoor ik al, Haers is natuurlijk een liefhebber van Couperus en dus kan hij wel mee op stap met Bas Heijne. Kritische afstandelijkheid? Laten we wel wezen, als ik het boekje niet had kunnen waarderen had ik er verder geen lawaai over gemaakt, maar het is maar dat Bas Heijne op een gedreven manier over het oeuvre van Couperus sprak, met dien verstande dat enkele auteurs in zijn, Couperus’ tijd en later de vermeende zwakke plekken genadig hebben uitgespit. Daaraan gaat Heijne dan ook niet voorbij, meer nog hij maakt overtuigend duidelijk dat er een samenhang is tussen de sterke vitale romans, zoals de boeken der kleine zielen, Stille kracht, Van oude mensen …en andere. Voor de auteur, Louis Couperus, waren dat inderdaad zeer heftige werken en het schrijven eiste telkens veel van hem. Maar ook, denk ik met Heijne, omdat Couperus zelf dacht dat zijn andere, zeer verheerlijkende werken minstens zoveel waard waren, maar te vrezen valt dat hij ervoor geen grond, laat staan woorden vond. Anders gezegd, Couperus wilde het onmogelijke: het mooie, verbazende van het bestaan zelf in woorden te vatten, maar slaagde daar pas in via de omweg van het lastige en weerbarstige leven.

Bas Heijne laat zien dat hij na 1908 geen grote romans die in zijn heden spelen meer heeft geschreven. Alleen Iskander, de Alexander-roman blijkt in 1920 nog bij het oude spoor te passen. Ik twijfel of we de grote Haagse en Indische romans zomaar realistisch kunnen noemen. Als het zo is dat Couperus ons existentiële vragen voorlegt, zoals Heijne aangeeft, de vraag namelijk hoe we zouden kunnen, horen te leven, dan kan men, denk ik, met evenveel recht menen dat Couperus vooral het vitale in het menselijke handelen wil aangeven. Hij laat mensen zien die daar net niet toe in staat zijn, omdat ze teveel zien, alles doorzien, zoals Paul van Löwe in De boeken der kleine zielen. Anderen gaan onder in melancholie, zoals Gerrit… Constance en op zijn manier Van der Welcke vinden een manier om zich te verzoenen met het leven, enigszins te resigneren en vervolgens verder te gaan, sterker dan men zou verwachten.

In De Boeken der Kleine zielen zien we naast de gebruikelijke pretentietjes van mensen, of de egoïsmes van verschillende figuren, naast Paul die doorheen alles weet te kijken, mensen werkelijk hun weg zoeken. Vooral Constance van der Welcke, die volgens de familie de dood van haar vader, de minister van koloniën op haar geweten had, door te scheiden van haar man, de minister-resident in Rome – toen noemde men de titelvoerende ambassadeur ook wel minister – die ook een vriend was geweest van haar vader, de Staffelaer. Met een beginnend diplomaat, de jonge baron Van der Welcke… we zullen hier niet alle peripetieën van de roman uit de doeken doen, maar toch is het van belang te begrijpen dat de positie van Constance aan het begin die van een smekelinge is, maar ook de vrouw die aan het einde van de roman de vergane glorie niet weet te redden, maar precies aan de mensen die zich aan haar toevertrouwen richting te geven. Alleen Addy, Adriaan, haar zoon lijkt niet goed te weten voor zichzelf terwijl hij als psychiater best en vogue mag heten.

Toen ik die roman las, vond ik het een verrassend modern werk, ook al weefde Couperus het verhaal op het stramien van de Ring, de operacyclus van Wagner, althans, volgens sommige kenners. Maar de relatie tot de werk is wel subtieler dan dat men het geheel onmiddellijk zou herkennen, want de vrouw in deze cyclus begint als een rebel, als een ongenode gast en weet doorheen het verhaal haar eigen posities te heroverwegen en met ups en downs, de onverwachte liefde voor en vanwege Brauws, de socialist en vredesactivist incluis, toch haar gevonden evenwicht te bewaren. Het gaat er voor haar om een illusie, of inbeelding en de werkelijkheid die ze erkent met elkaar te verbinden. Toen onlangs de 100ste verjaardag van het Vredespaleis werd herdacht, bleef dat voor de openbare omroep in Vlaanderen een issue dat niet de interesse kon wekken die de 50ste verjaardag van het overlijden van Edith Piaf kon wekken. Bizar, want dat Vredespaleis was net als de Nobelprijs voor de vrede een vehikel waarmee bezorgde mannen als Carnegie en Auguste Beernaert, de voormalige Belgische regeringsleider, dachten de volgens hen ondraaglijke gevolgen van de moderne oorlogsviering tegen te gaan. Kan men als schrijver actueler zijn, dan Louis Couperus met die Brauws, die gaat spreken van Maastricht tot Groningen over de Vrede?

Bij de boekvoorstelling met Gudrun De Geyter en in het boek zelf, laat Bas Heijne zien dat Couperus in die romans waarin hij zich op het leven zelf richt, maar dus ook de Alexanderstof die hij verwerkt, precies dat met grote aandacht en luciditeit heeft gebracht: te zien hoe mensen zich met hun illusies, maar ook met hun inzet iets bereiken, terwijl verbeelding en inbeelding om voorrang strijden. De inventies van Couperus zijn bij nader toezien van uitzonderlijke snit, in die zin dat de mensen die hij opvoert de verschillende schakeringen van figuren in een bepaalde kring hun plaats hebben, maar er zit iets in van de klassieke tragedie en dat veronderstelt ook een bijzonder scherp beeld.

De taal van Couperus is voor velen soms oververfijnd. Maar inderdaad, de dialogen in het eerste deel van de Boeken, daar kan men eindelijk moeilijk omheen, is afhankelijk van de personen anders. Dat men best de spelling van Te Winckel en de Vries achter zich laat, zal niemand kwalijk nemen, dat Couperus een soms gekleurd taalgebruik heeft, met woorden als “rêvasseren” of soms ook wel eens een enkel Engels woord, kan men niet negeren, net omdat het vaak best te genieten valt. Couperus heeft op mij vaak indruk gemaakt dat hij zinnen bouwde, waarin de accenten anders kwamen te liggen dan we in het courante taalgebruik gewoon zijn. Men kan dus Heijne nabrouwen spreken van een idiosyncratisch taalinstrument spreken. Overdreef hij wel eens? Het hangt af van het boek, maar dan kan en kon het nog functioneel uitpakken. Feit is dat hij alleen al op dat terrein de taal echt als een veelstemmig instrument bespeelde.

De opdracht die Bas Heijne zich in het essay stelt is aangeven waarom je een boek, een roman goed kan vinden. Mij lijkt het dat hij bij zijn observaties, leggende in het gemoed van Constance of andere figuren net de dynamiek van het verhaal onderhield. Het citaat over haar kijk op haar vader – de voormalige gouverneur-generaal in Batavia, eerst in de reflectie over haar huwelijk met De Staffelaer en later het portret van haar vader, dat het haar plots openbaart, dat de held van haar jeugd niet zo groots was, maar eerder half en soms laf…

‘Ook papa ademde in dat element van grootheid, een van grote staatkundige bekwaamheid – als zij meende, - nooit hebbende ingezien, dat papa alleen was hoog gekomen door tact, door halfheid, door een vaagheid van gedistingueerd politieke overtuiging, die zich wendde en zich tintte met al de halve wendingen en halftinten, die op dat ogenblik het tactvolst waren; door welopgevoedheid eene welsprekendheid van weinig zeggende, mooivloeiende zinnen vol gangbare, gewichtige banaliteit; door zijn glimlach, zijn nêerbuigendheid, zijn minzaamheid, zijn prestige. Zij zag haar vader altijd groot; zij zag hem nu ook nog zo…

Het gaat om een scène aan het begin van de roman, die pas later, wanneer zij, Constance ontdekt dat het portret bijna omgekeerd de mens liet zien die ze al die tijd niet gezien had. Ik denk het boek lezen en herlezen echt wel een visie geeft op wat mensen voor elkaar kunnen betekenen, ten goede en ook ten kwade. Onlangs hoorde of las ik een discussie of het lezen van een boek, goede literatuur betere mensen van ons zou maken. Een onderzoek had getoond dat we na het lezen van Tolstoj wellicht een paar uur lang er betere inzichten op na zouden houden. Dat lijkt me, het essay van Heijne bij de hand een eigenaardige werking van literatuur. Er zijn zelfs in de literatuur, 1984 onder meer, maar ook Brave New World waar de behoeders van het systeem de goede werken, Shakespeare of Goethe voor zich houden en mensen onthouden of een boek toeschrijven aan iemand dat geheel met het doel te manipuleren is geschreven, voorbeelden te vinden van de desastreuze werking van literatuur. Don Quichote die met Amadis de Gaule aan de haal gaat.

Het valt me op dat we vandaag weinig moeite moeten doen om boeken te vergeten. Romans die hoger reiken dan het spannende boek worden in de media afgeschilderd als rommelig, te zwaar gelardeerd met ideeën of men vindt wel andere redenen om het verdacht te maken. Timur Vermes afdoen als een Hongaarse Duitser die tot nog toe weinig geschreven heeft en dus ook met dit boek “Er is wieder da’ niet echt goed weet om te springen met zijn verhaal, dat is heel vreemd. Het ene boek heet dan wel goed gecomponeerd, maar men maakt niet echt vergelijkingen. Kan ik over Vermes, een auteur van deze tijd, geboren toen Hongarije nog onder de Sovjet-Russische knoet en vervolgens de Breznjev-doctrine overleefde, iets zeggen? Niet echt, maar voor het boek pleit wel dat hij, die Hitler nooit bij leven had zien optreden, een manier vond om de eigenaardigheden van zijn protagonist in het licht te stellen. En toch is de kracht vooral de receptie die Hitler te beurt valt. De bereidheid van de media – Glaubensunwilligkeit heet zoiets – hem niet te zien als de echte, maar als een briljante imposteur, oplichter, vormt de echte inzet, valt te vrezen. En ja, de geest van een gestorvene die terugkeert, is zowel in de politieke literatuur als in de literatuur zelf een vaak boeiend uitgewerkte topos.

Tiens, zou men het Couperus nadragen dat hij behoorde tot de kringen die hij beschreef, terwijl Bas Heijne hem vooral laat optreden als de betrokken outsider of de onbetekenende insider. Hij kwam ook wonderlijk goed overeen met de Vlaamse auteur Cyriel Buysse, die zelf niet onbemiddeld was, tot de Gentse coterie van liberale Vlaamsgezinden behoorde, gehuwd was met een Nederlandse dame en zelf beheerder – als hij zijn wilde haren was verloren – van het bedrijf van zijn vader. Buysse kon niet verder van Couperus af staan, met zijn “recht van de sterkste” of “Het gezin van Paemel”. Maar misschien was dat hun vriendschap, dat ze elk op eigen manier in het leven en de literatuur stonden. Couperus was, zo merkte ik als student, niet direct een figuur die men naast de geëngageerde auteurs, zoals uiteraard Zola, wellicht ook van Deyssel kon plaatsen. Maar zijn beeldvorming, aldus Bas Heijne, van die hoge kringen, van de Indische families – Nederlandse families die in India gediend hadden, hebben wel degelijk iets dat men vandaag niet kan zien, omdat men het niet leest. Couperus geloofde niet dat oost en West elkaar echt konden ontmoeten, omdat het Westen, Holland zich wou wortelen in de Oost, maar daar overduidelijk niet in slaagde. Multatuli kent men als een criticus van de kolonisatie. Maar intussen zou men dus kunnen begrijpen dat Couperus de onmenselijkheid en zinloosheid van de kolonisatie zag. En dan komt Adam Smith om de hoek kijken, die vond dat kolonie planten en gebieden in beheer houden de handel niet bevorderen kan. Had Couperus weet van deze inzichten? Of begreep hij dat vanwege zijn verblijf in Batavia en later zijn contacten in den Haag?

Wat er ook van zij, Bas Heijne laat de lezer toe opnieuw te vatten waarom een aantal boeken van Couperus zo opvallend sterk zijn en een lezer kunnen beroeren. Hij noemt de alom geroemde Eline Vere een verdienstelijk jeugdwerk. Maar haar einde is er dus een van de verdwijnen in haar inbeelding. Constance zal er net overheen stappen, over de dingen die ze zich had ingebeeld, toen ze haar grillen en ijdelheid in de spiegel zag. Naturalistisch kan men dit noemen, maar men merkt dat de Eline Vere op een bepaald moment helemaal niet over Eline gaat, maar over het zomerse buitenleven, over de andere mensen van haar coterie. Om de lezeressen te behagen, vernamen we woensdag, want blijkbaar lieten die de krant weten wat de auteur met zijn personages of met bepaalde scènes dient aan te vangen. Inderdaad, zoals in soaps vandaag wel eens personages worden weg geschreven als het publiek er niet langer van lust.

Een auteur die zoveel schreef, vaak om geld verlegen zat, maar ook om geld verlegen zat omdat hij anders niet kon schrijven, hat is wellicht een inzicht dat we niet direct met de kwaliteit van het werk hoeven te verbinden, al heeft er wel een interactie plaats tussen inkomsten en inspiratie. Voor wie van de inventiviteit van Couperus houdt, kan het goed zijn te vernemen dat Couperus vaak heel precies locaties beschrijft, maar niet zo dat men de mensen die hij laat handelen net daar geleefd zouden hebben. Hij was overigens vaak aanwezig in zijn werken, maar niet autobiografisch.

Het feit dat we woensdag naar een bevlogen Bas Heijne konden luisteren en naderhand zijn essay, bijna een pleidooi lazen, doet niet veel af aan de treurig stemmende vaststelling dat men vandaag echt wel meer moeite zou mogen doen over boeken nog eens met vuur te spreken. Het is van belang te zien dat op DBNL een artikel van Martinus Nijhoff te lezen valt met de eigenaardige conclusie dat Couperus wist dat hij lui was, maar dat hij inzag waarom hij meer zou betrachten.

“Angst om bij het schrijven van een werkelijk grote Alexander wederom voor die duistere diepte van heimwee alleen te staan. En zo rijt zich het ene boekdeel naast het andere. En alle zijn goed, geschreven door een onwankelbaar-vaste hand, en van een zuivere artisticiteit. Goede werken - geen meesterwerken – met hier en daar een bittere aanduiding, die zegt: Ik weet wel hoe het zou moeten – maar waartoe dient het? En zo staan we tegenover deze zonderlinge schrijver, die de enige is, zou ik wel willen zeggen, van al onze literatoren, die zichzelf kent, en niet overschat, maar ook de enige, die achteloos, met een vermoeide glimlach de grootste, en misschien de meest waardevolle kans van zijn aanleg, bewust onder zijn handen wegglippen laat.”


 Een merkwaardige appreciatie, waarbij men zich afvragen moet of hij, Nijhoff daarmee niet de mythe van de auteur Couperus in de verf heeft gezet. Nu onderkent Bas Heijne ook wel dat Couperus zichzelf wellicht buitengewoon goed kende, dat hij wat schrijven betreft inderdaad een grote vaardigheid ontwikkeld had, maar verder kunnen Nijhoff en Bas Heijne niet van elkaar staan. Ook al omdat Nijhoff de Haagse roman, De Boeken der Kleine Zielen, afdoet als romans uit het dagelijkse leven, waarin de onvolkomenheid van de auteur, na Eline Vere – die Nijhoff hoog inschat – nog niet voldoende ontwikkeld is.

Men kan inderdaad over smaken niet oordelen, men kan echter het probleem dat Couperus stelt met zijn werken van verschillende kwaliteit – al is dat niet evident – maar vooral van zeer verschillende opzet en inslag niet oplossen via een literair-wetenschappelijke benadering. We herinneren ons de lezing van Karel van het Reve “Literatuurwetenschap: het raadsel van de onleesbaarheid” waarin die meende dat literatuurwetenschappers wel van alles over een literair werk kunnen zeggen, maar er niet in slagen aan te geven waarin een goed werk nu eenmaal verschilt van minder geslaagde pennenvruchten. Het is ook de vraag die Heijne zich stelt, waarom zou men Noodlot verkiezen boven Van oude mensen de dingen die voorbijgaan. De vileine karakters, maar ook de obsessie met seks en de eigen reputatie, maakt het boek meer dan een “tranche de vie”, wel een vraag waarom we met ons verleden soms moeilijk in het reine willen komen.

“De stille Kracht”

 Angst en schoonheid, beide spelen in het leven van Couperus een grote rol, waarbij we ons niet van de indruk ontdoen kunnen dat hij werkelijk oog had voor de aankleding van het leven – en soms de naaktheid van mensen, zoals op de plage van Oostende. Het schilderen van paravents met Japanse motieven en tekeningen is zo een van de die saillante details. Emilie, dochter van Bertha van Naeghel en haar broer Henry zijn naar  Parijs gevlucht en zal er sterven. Incest of verbondenheid, het is een van die elementen die de familie van Löwe een sfeer geeft die ons wel moet aanbelangen.

Inderdaad, we hebben lang stil gestaan bij de Boeken der Kleine zielen, waarbij we ter verschoning aanvoeren dat het een kwestie is van perspectief. Over Stille kracht kan ik minder breedvoerig spreken omdat de verfilming het lezen zelf bemoeilijkt heeft. Ik zag dus eerst de film en later pas las ik het boek. Indrukwekkend is het wel, maar tegelijk verliest men, de film in gedachten houdende – ook al wil men dat niet – het perspectief, namelijk hoe een Nederlands gezin in de Oost zich staande houdt, hoe de ratio botst op de werkelijkheid die Indonesië is.

Het verhaal van Resident van Oudijck en zijn onwil de genius loci te erkennen vormt voor Heijne een minstens zo belangwekkend thema als de promiscuïteit van zijn vrouw, Leonie. De beschaving, aldus Couperus, Heijne vindt dat cruciaal, brengen in India als kolonisator, als machthebber, heeft dat tegen dat men blind is voor de eigen opvattingen van de cultuur waarin men terugkeert. Van de weeromstuit komt dan de vraag of een uitwisseling tussen culturen wel kan als daar geen machtsverhoudingen aan verbonden zouden zijn? Die vraag, zo begrijpt men onzer dagen, valt niet meer te beantwoorden. Toch zou men dat wel kunnen overwegen, want wie naar het meisje Malala kijkt, merkt dat onze cultuur op een andere manier wel haar betekenis kan hebben voor mensen die leven onder de knoet van godsdienstfanatici, of beter van politieke

In die zin is Louis Couperus meer dan de schrijver van een tuttige taal. Dat geldt wat mij betreft ook voor “Langs wegen van Geleidelijkheid”, een roman die Bas Heijne niet zo hoog blijkt in te schatten. Maar niet de Romeinse setting vormt daar de kern, wel het decor. Echtscheiding komt in meerdere romans van Couperus voor, wat men toch wel niet zou verwachten, wel? Maar iemand die als een Suffragette uitkomt voor de zaak der vrouw om vervolgens toch maar terug te keren in het huwelijkse bed, na een aantal boeiende avonturen, het gaat om de vraag, hoe we ons leven inrichten en hoe we onder maar vooral naar de moderne normen en vrijheden kunnen leven.

Slotakkoord

Geleidelijk aan ben ik Couperus gaan associëren met Gustav Mahler, zonder dat ze identisch zouden kunnen worden. Maar Couperus blijft staan, ook als men Proust leest of Céline, Thomas Mann dan wel Stefan Zweig. Kafka? Dat ook, maar valt moeilijker aan te geven. Ten eerste, we gaan er niet vanuit dat een bibliotheek, een canonbibliotheek regelmatig gezuiverd zou moeten worden. Er zijn, zoals Karel van het Reve suggereert alleen esthetische redenen om boeken op te nemen, maar men kan niet zomaar boeken, titels wegnemen. Laurence Sterne? A sentimental journey blijft staan, ook al zegt men mij, dat de auteurs ons in het ootje neemt. En hoewel Schuld en Boete – die titel hou ik aan omdat ik nog altijd een vertaling heb met die titel – maar ook de Idioot staan er, maar niet onmiddellijk naast Tolstoj, Anna Karenina, De Kreutzersonate en Oorlog en Vrede. Ook hier blijkt er met de vertalingen een probleem… Maar goed, de zaak is dat Couperus hier geen plaats geven zowel de auteur, zijn werken als de Nederlandse letteren zelf tekort doen is. Maar Van Deyssel staat er ook met Een Liefde. Heijne beschrijft hoe hij het gezicht pas zag – dus voorbij de portretkunst en zelfs als het filmpje als hij hem ziet op de huldiging voor zijn zestig jaar. Daar houdt Lodewijk voor Louis een rede, een laudatio pro domo sua – Van Deyssel dus. Schrijvers die elkaar huldigen, het heeft iets bizars. Ik heb geen dedidace gevraagd, want ik ben al lang blij dat Bas Heijne dit essay schreef en ons opnieuw laat merken waarom men Louis Couperus echt kan waarderen en waarom hij zijn plaats heeft in de grote bibliotheek, maar misschien niet met alle werken. Hoewel, Martinus Nijhoff laat zien dat smaken echt wel verschillen. Laat het dan maar twintig, dertig titels zijn, waaronder dan toch, zegt de oude romanticus, Psyche.


Bart Haers

Reacties

Populaire berichten