Molenaars kennen de raderen

Reflectie

Mogelijkheden openhouden, ceteris paribus
De charme van het niets doen
(in de politiek)

Kent de molenaar het binnenwerk
van zijn gemaal, maar weinig mensen
kunnen beweren echt het binnenwerk
van hun samenleving te kennen, laat
staan helemaal te kunnen fijnregelen. 
Dit najaar stond in het teken van de kiesstrijd die pas per 25 mei 2014 beslecht zal worden, tegen één partij, die stemmen dacht te kunnen halen bij de traditionele partijen, terwijl die zelf een quasi-traditionele partij is. Ook kwam de vraag aan de orde, denk ik, of we met het huidige kiessysteem het nec plus ultra van de democratie hebben bereikt. Alvast David van Reybrouck vindt van niet en pleit voor iets anders, namelijk de loting onder burgers. Tegelijk kwam er in Nederland een boek op de markt dat zonder meer pleitte voor een conservatieve houding vanwege de politicus, de overheden. Tegelijk merkt men dat overheden veel willen bereiken, maar vaak over het hoofd zien dat hun handelingen, politieke daden, dus woorden en zelfs maar gedachten, er niet toe strekken. Men kan zich afvragen of welvaart door de staat gerealiseerd kan worden. Wel, het antwoord is niet zonder meer neen, maar zeker ook niet “ja”. De reden is dat de overheid bepaalde ondernemingen kan faciliteren. Tegelijk weten we ook dat, zoals Adam Smith stelde, de kooplui best niet te veel en te diepgaand met de zaken van staat betrokken worden. Echter, wie zal dan de staat leiden? Technocraten? populisten?

Het einde van oude mythes: de moderniteit

Men heeft terecht voorgehouden dat politici, wetenschappers, handelaars en zelfs ambtenaren, maar ook wel eens ambachtslui de afgelopen vijf, zes eeuwen de moderniteit hebben vorm gegeven. Maar aan deze voorstelling van zaken kleven vele nadelen, omdat we dan niet kunnen begrijpen dat Filips II van Spanje als vorst een uitgesproken technocratische positie verkoos, terwijl zijn tegenstanders, onder wie Willem I en later vooral Oldenbarnevelt hier niet voor onder deden. De een bestuurde bijna net zo autocratisch als de ander, dat wil zeggen, de Spaanse koning had die macht van Godswege, de Nederlander, Johann van Oldenbarnevelt verwierf die macht al doende en door zich te omringen door mensen die in hoofdlijnen zijn beleid konden onderschrijven. Oldenbarnevelt en later ook Johan de Witt, die het zonder Stadhouder probeerde, kon het met zijn medewerkers en medestanders, zoals de Bickers in Amsterdam en zo was er ook zelfs enig contact met Adriaan Koerbagh. Maar zij waren beide de steens des aanstoots van de Oranjeklanten, de vrienden van de stahouder, die, zoals Wim Voet, Voethius dachten dat een koningschap voor het uitverkoren volk, de Nederlanders dus, de beste uitkomst zou zijn. Oldenbarnevelt werd na de synode van Dordrecht aangehouden en terecht gesteld. Toch zou de republiek nooit een zuivere theocratie worden, zoals Genève dat wel werd.

Die Republiek der Nederlanden was een probleem voor veel modernisten in de 19de eeuw, want waren er uitgesproken moderne kenmerken in de samenleving, zoals de wijze waarop de centrale overheid op vele terreinen het beleid overliet aan stedelijke overheden, de rol van de stadhouders en van de dominees, de conservatieve krachten dus was er niet minder om. De gedecentraliseerde machtsdeling was een moderne opvatting, maar betekende ook dat burgers een grotere greep hadden op hun eigen leven. Vrijheid en als consequentie tolerantie dienen door de staat gegarandeerd, maar hangen volkomen af van de burgers. We zien bijvoorbeeld dat het polderlandschap – zoals Russel Shorto ook aangeeft – niet een zaak was van de overheid. Nu, men vergeet wel dat het polderen in het oude graafschap Vlaanderen is begonnen in de 11de, 12de eeuw en beruste op zowel solidariteit, delen in de kosten, maar ook proportionaliteit, de grootste deelnemers in de polder betaalden ook het meest contributie – en deelden in de eventuele winsten. Polders hadden uitgaven, voor onderhoud van dijken, irrigatie natuurlijk ook. Maar er waren ook inkomsten, van het snoeihout dat bakkers in dorpen en steden afnamen, wellicht ook graasrechten en ook werden er soms boomgaarden geplant. De veiligheid van de boeren hing af van goed bestuurde polders, want in tijden van oorlog of epidemieën kon een slecht onderhouden dijk voor ongerief zorgen. Maar nog eens, de polderbesturen waren geen overheidsinstellingen maar vrije associaties. Instituties zoals de ordehandhaving en ook wel de tolheffing waren dat wel.  Veel overheden hadden evenwel hun inkomsten, belastingen aan derden verdaan tegen afkoopsommen. Het innen verdween dan gewoon in particuliere handen. Spanje ging verschillende keren over kop en ook Frankrijk diende soms te zoeken naar nieuwe middelen of nieuwe inkomstenbronnen. Het Colbertisme was daar een van, maar, zoals Francis Fukuyama schreef in “the origins of political order” de renteniers, of rentejagers – zij die zich inkomsten van de overheid, zoals de zoutbelasting, de gabelle toe konden eigenen – verzwakten de staat en joegen de belastingen van de overheid aan.

De moderniteit

Het valt altijd weer op dat discussies dezer dagen uitgaan van de gedachte dat we precies weten wat de moderniteit nu wel was/is en sommigen menen zelfs te weten dat er een meesterbrein achter moet hebben gezeten, dat minstens een einddoel gegeven moet geweest zijn. De werkelijkheid was en is dat de moderniteit erin bestond de tradities los te laten en de geplogenheden niet meer als wetten van Meden en Perzen te zien, wat impliceert dat men niet vooraf wist wat de resultaten zouden zijn. De moderniteit was een voor de mensheid een reis naar terra incognita en dus een ongekend avontuur. Wie het in de plaats daarvan graag voorstelt alsof men vanzelf bij de open samenleving van Karl Popper zou uitkomen, bij de sociale verzorgingsstaat van het Rijnlandmodel en de ongekende technische en wetenschappelijke mogelijkheden die we nu als de zegeningen van de vooruitgang zien, laat in dat perspectief het onbestemde ondergesneeuwd. Men kan dus in principe niet een algehele verandering sturen.

Steeds weer doken onverwachte vernieuwingen op, zoals in de wetenschappen, met Copernicus, met Vesalius en Antonie van Leeuwenhoek, Stevin en Newton… waarbij men ook nieuwe instrumenten van doen had, microscopen, telescopen, beter staal voor scalpels en betere wiskunde. Dat kan men maar moeilijk als een planmatige onderneming zien. Dat de boekdrukkunst ons leven zeer beïnvloedde, althans dat van onze voorouders en dat de toenemende handel ook wel al voor volksverhuizingen zorgen kon, met mensen die naar het Oostland (in de 12de eeuw) trokken, anderen die naar de nieuwe wereld gingen, soms om hun starre geloof in vrijheid te kunnen beleven, anderen net om zo goed als heiden of goddeloos door het leven te gaan, dat stond nergens voorspeld, omdat niemand dit alles bevroeden kon, tot het gebeurde. De ontdekkingen van Edison, Bell, François Englert – om maar ineens heel recent bekroonde onderzoeken onder ogen te nemen – werden lang als waanbeelden afgewezen. Vandaag zal men eerder iemand afwijzen die niet gelooft in de niet af te remmen, volkomen ontremde moderniteit. Het gevolg is dan wel, dat veel mensen zich die nieuwlichterijen niet altijd laten aansmeren en in oude schijnzekerheden vluchten.

Verzet en zegeningen

Niemand zou zich evenwel de zegeningen van deze tijd zou kunnen ontzeggen, van betaalbare reizen naar exotische oorden, citytrips of avontuurlijke tochten in de Andes of de Himalaya. De zegeningen van de informatica, van de mogelijkheden van de moderne media, het geeft ons tal van mogelijkheden en toch, voor velen lijkt het eerder een ratrace en de verveling, die teistert hen evenzeer als de welgestelde lieden in romans van Couperus of Stendhal. Verveling, geen doel om voor te leven? Darwin, die welgesteld was en geleerd, wist wel wat te doen, zoals een reis op een militair schip en het verzamelen van dieren, insecten en fossielen. Maar ook nam hij de tijd om na te denken en zijn bevindingen te laten rijpen. Twintig jaar nam hij daar de tijd voor en uiteindelijk was zijn bekwame spoed om de geschiedenis van de soorten als een ongericht proces, waarbij variëteit van de specimina, de seksuele voortplanting, dus door de vermenging van genetisch materiaal van twee verschillende wezens van dezelfde soort en uiteindelijk het succes van die exemplaren die het best de omstandigheden konden overleven, de evolutietheorie leidde niet ergens toe, maar kwam wel uit bij zoogdieren, primaten en finaal een mislukte primaat die de hele aardkloot overzwermen kon, zoals een laag schimmel, aldus een Duits filosoof.

De periode die we kennen als de Moderne tijden, waarbij we dan gemakshalve menen dat de (tweede) middeleeuwen een tijd van duisternis was geweest – quod non - heeft in bij tijd en wijle zeer turbulente omstandigheden inderdaad een hoop problemen kunnen oplossen, al kwamen er altijd weer nieuwe voor in de plaats. Aan vooruitgang geen gebrek, maar soms viel er ook verlies op te tekenen, zoals de persoonlijke hygiëne, die in de Middeleeuwse steden wellicht verder stond dan in de vroege 18de eeuw het geval was. In elk geval, steden stonken nogal in die periode en met het afval wist men niet altijd raad, behalve dan weer in de noordelijker streken, waar men de stedelijke afval ging recupereren, voor mest op de velden of in de tuinbouw. De afwatering via riolen, met of zonder zuivering zou men misschien toch moeten herzien, kwestie van fosfaten terug te winnen.

Het probleem is evenwel dat men, zoals Paul Frissen aangeeft dat men vaak oplossingen zoekt in een eenzijdige benadering, omdat bij de analyse het antwoord al wordt ingebouwd. Hoezeer spoort niet het boek van Frissen met het essay van Tomas Sedlacek: een temperen van de wil tot sturen en beheersen, wat meer onbestemde wildheid zou de samenleving wellicht meer zuurstof geven? Wildheid of risico?

Ceteris paribus

Beide auteurs komen aanzetten met het inzicht dat bestuurders, economen, sociologen altijd weer een slag om de arm houden als ze de overheden voorzien van antwoorden. Als voor het overige de andere factoren gelijk blijven dan is de oplossing die ze aandragen ongetwijfeld de beste. Luistert men met enige regelmaat naar de debatten in het Vlaams parlement, over de oplossing voor de mobiliteitskloof, die zich wel in hoofdzaak rond Brussel en Antwerpen afspeelt, dan merkt men dat elke oplossing die aangedragen wordt botst op de vraag of dit niet deze of andere nadelige gevolgen zal hebben. De aanpassingen van de grote ring rond Brussel, die pas in 1978 voltooid was met het bekende viaduct van Vilvoorde, maar aan de Zuidkant nooit helemaal werd afgewerkt, om het Ter Kamerenbos noch het Zoniënwoud op te moeten offeren, zijn noodzakelijk en de bezwaren hebben hun belang, maar hoe zal men de afweging maken? Voor een deel is die voorzichtigheid te begrijpen, maar wellicht had men wel degelijk andere oplossingen voor dat probleem kunnen voorzien. De toename van het aantal auto’s had dit gerechtvaardigd, alleen, men heeft vanaf de jaren 1970 met de Groene Fietsers en later Agalev een strijd tegen de betonboeren gevoerd, die vandaag soms eigenaardige vormen aanneemt. Als men niets doet aan de vlotte doorstroming van het zeer dichte verkeer, dan zal dat economische, maar ook ecologische schade veroorzaken. Mensen afwennen de auto voor een futiliteit te gebruiken wordt ook ervaren als een poging de persoonlijke vrijheid in te perken.

Overigens, zou men dit doen, mensen afraden alsmaar de auto te gebruiken in een gebied waar mensen zeer dicht op elkaar en toch verspreid wonen, dan zou men niet enkel hun mobiliteit aantasten – overigens wie zich niet goed kan verplaatsen wegens geen bezit van een auto wordt ook als kansarm beschouwd – maar zou men ook bepaalde sectoren, zoals het toerisme of avondlijke culturele evenementen in het gedrang brengen. Elke ingreep van overheidswege om een probleem op te lossen, blijkt op andere terreinen problemen op te roepen. Dat geldt bijvoorbeeld ook voor het niet afhalen van delen van gesorteerd afval, waar mensen zonder auto ook wel eens moeilijkheden ondervinden dat naar het containerpark te brengen. Daar zou huisvuilomhaling aan huis gerechtvaardigd zijn, doch dan moet de gemeente, zegt men, diep in de schatkist graaien. Nu worden die ophaaldiensten vaak door particuliere ondernemingen gedaan die hun inkomsten deels halen uit het verkopen van het afval aan verwerkingsbedrijven.

Niets blijft hetzelfde, want alles stroomde, wist Heraklitos al, want het water als stroom, beek mag dan altijd dezelfde bedding volgen, men kan niet ergens een waterloop instappen en de hele tijd in hetzelfde water blijven, want het is steeds ander water. De samenleving blijft een complex weefsel, niet per se kostbaar, maar toch wel onderhevig aan steeds elkaar beïnvloedende endogene en exogene ontwikkelingen. Bovendien moeten we hier wel aangeven dat samenlevingen op microschaal kunnen bestaan, een buurtschap, maar ook grotere gehelen, zoals een vorstendom in vroeger tijden en om meerdere redenen het Europa onzer dagen kan men als gemeenschap ervaren – of niet. Niet iedereen ervaart op gelijkwaardige manier het behoren tot die kleine of grotere structuren. De stedeling die een buiten had op het land en op dat buiten een half steeds half landelijk leven vorm geeft, behoort nergens toe of tot beide culturen. De wisselende betrokkenheid kan doorgaans zonder problemen door de lokale gemeenschap en de stedeling ervaren worden, maar als het mis gaat, dan kan de animositeit hoog oplopen, los van de rationele overwegingen.

Het is niet zonder belang hier aandacht aan te besteden omdat men ons sinds de val van de Muur en de Wende heeft voorgehouden dat we kosmopolitisch moeten denken. Voordien, had ik de indruk en die heb ik nog steeds, al zijn de argumenten veranderd, was Europa dit deel van Europa dat ooit wereldmacht had bezeten en nu diende men er alles aan te doen om iets van de oude glorie te bewaren. Maar de veranderde verhoudingen waren al voor 1990 zichtbaar en werden door Europa via de EU wel degelijk opgevangen. Alleen, over die macht foro externo, de wereldmarkt om het zo maar eens te noemen, werd noch wordt in het Europese publieke debat weinig gezegd. Maar zelfs de Staatsmacht die Europa door de opeenvolgende verdragen toebedeeld heeft gekregen, hoort men politici zelden spreken. Nochtans heeft dat voor meer dan alleen politieke veranderingen gezorgd. De landbouw, de gemeenschappelijke munt, Schengen… het zijn de haast te evidente uitingen van dat Europa, waar we weinig over spreken. Als het over Europa gaat, dan spreekt men over de dictatuur van Brussel, in het ergste geval, maar doorgaans over de bureaucratie. Dit klopt dus maar gedeeltelijk, want wie goed toekijkt ziet dat in Europa, rond het Spinelligebouw en het aantal lobbygroepen met experten op zowat elk denkbaar terrein van industrie, wetenschappen en andere belangen. Dat er ook NGO’s in Brussel pleisteren mag niemand verbazen. Hun invloed op het beleid valt voor een burger moeilijk in te schatten, maar men kan er van op aan dat hun houding zich als klein duimpje voor te stellen niet altijd strookt met de feiten.

Ceteris paribus (2)

Europa staat voor de ontwikkeling van het recht in het algemeen, door de samensmelting van het positief recht en het gewoonterecht, voor de mensenrechten, maar ook van het oorlogsrecht, dat wil zeggen, de verhouding tussen staten in tijden van vrede en van oorlog. De ontwikkeling van het recht, de ontwikkeling van twee vormen van machtslegitimatie, die van bovenaf, doorgaans maar niet per se een theocratische legitimatie, en van onderop, vaak democratisch, hebben de ruimte voor persoonlijke vrijheid geschapen, zowel de negatieve als de positieve vrijheden.  Met die positieve vrijheid is iets raars aan de hand, want men lijkt het scheppen van mogelijkheden niet zo belangrijk te achten. Kritiek op de meritocratie? Alleen van wie buiten het systeem zou staan? Helaas merkt men dat er minstens een nieuw soort aristocratie lijkt op te staan. Die liet zich niet zo opvallend aflezen voor 2000, maar vanaf dan ging het pas echt snel en zochten partijen hun heil bij zonen en dochters van bekende politici die aan het afhaken waren. Hun kennis? Die stond niet ter discussie, noch hun inzichten. Alleen hun bekendheid… Nuda nomina tenemus.

Mogen zij dan geen politieke ambities koesteren of zich kandidaat stellen? Oh, zeer zeker, maar zijn zij de best geplaatste? Soms hoort men dat ze van huis al betrokken waren bij de politiek, politici en geleerde dames en heren kenden en dus konden meepraten. Van het “Ceteris Paribus” kenden ze wellicht al alles. Maar wat betekent Ceteris paribus anders dan “deo volente”, “Inshallah” of “als het god belieft”? Formules inderdaad die verwijzen naar het fatum en dat wat men niet voorzien kan. Ho jawel, dat deze jongens en meisjes vanzelf weten waar het om speelt in de politiek, ligt voor de hand. Alleen, van deze mensen hoor ik zelden opwindende verhalen, laat staan interessante visies op deze tijd en de toekomst. De visies zijn overigens na september 2008 grondig bijgesteld als gevolg van de financiële crisis. Men is in Europa geconfronteerd geworden met een strakke besparingspolitiek, die naderhand in sommige landen de crisis heeft uitgediept. Men was vergeten, dat men tijdens de goede jaren de budgetten op orde had te zetten en toen het erom spande, ging het natuurlijk niet zonder burgers aan te spreken, de een meer dan de ander.

De gevolgen van die economische en fiscale politiek heeft men zelden goed onderzocht noch afdoende uitgelegd. Het gevolg was en is dat burgers zich verraden voelen door de overheid. De vraag is niet of men diende te besparen, de vraag is hoe men efficiëntie kon koppelen aan een gedragen visie op de toekomst. Want plots leek het alsof niet de banken dan wel de toezichthouders op de banken in de fout waren gegaan. Men kan stellen dat zo rond 2010, 2012 niemand meer wist wat men diende aan te pakken, de publieke schuld, de daling van de particuliere bestedingen of de ondernemers die hun winsten zagen krimpen. Een visie op de samenleving? Deelvisies bij de vleet, fragmentarische opties, zoals het verbieden om redenen van gezondheid, zelfs een vettaks werd overwogen. Hoe erg het kan worden? Geen mens die het weet, omdat men niet goed weet hoe verschillende raderen in elkaar grijpen. Een molenaar kan zijn molen wel dromen, economen, sociale wetenschappers en ook wel politici geloven dat ze greep hebben op de verschillende radertjes van de maatschappelijke molen. Maar zij zijn geen molenaars.

De democratisering herbekeken

Men houdt ons graag voor dat na 1960 een gouden tijd aanbrak in Vlaanderen, wat men om twee redenen kan nuanceren, zonder dat men kan ontkennen dat toen in Vlaanderen een geheel nieuwe tijd aanbrak. Ten eerste was het zo dat men lange tijd de problemen, de armoede heeft belicht, vanuit een geschiedbeeld dat eerder het socialisme wilde belichten dan de werkelijkheid. Ten tweede is het zo dat in die periode wel meer delen van Europa, om niet te zeggen geheel Europa een nieuwe tijd tegemoet ging, wat voor sommige regio’s ook wel verlies inhield, zoals de Waalse mijnen en de staalindustrie aldaar, terwijl in Gent een gloednieuwe staalfabriek, Sidmar – Siderurgie Maritieme – werd gebouwd. Intussen verdween een flink deel van de textielindustrie, maar ook hier kan men zien dat bedrijven die de veranderingen in de sector wisten op te vangen en er een eigen wending aan geven, wel degelijk konden doorgroeien. Na 1991 trokken vlasboeren en linnenfabrikanten naar Polen en Tsjechië, maar vandaag willen sommige ook wel terugkeren.

Een verwarrend beeld, dus, dat nog versterkt wordt omdat bijvoorbeeld de biotechnologie, ook al in het Gentse vanaf 1985 op gang kwam, waar nu heel wat mensen hun beste krachten aan kunnen besteden. Het valt op dat men vandaag rond onze universiteiten heel wat nieuwe economische activiteit heeft ontwikkeld, maar tegelijk lijkt men te vergeten dat de universiteit een eeuw geleden al die rol vervulde. Gent was toen bekend voor de technologische vernieuwingen inzake materialen, waarvan Bakeliet het meest bekende is.

De democratisering van het onderwijs? Begon die niet pas lang na de oorlog? Was die gestuurd? Feit is dat toen een ongekende groei aanving, waardoor de universiteiten voortdurend aan het bouwen waren om voldoende ruimte te bieden voor studenten en hoogleraren. Vandaag lijkt de universiteit meer dan vroeger op een verlenging van het secundair onderwijs, al willen we dat ook niet overschatten, want uiteindelijk slagen velen er niet in de eerste selectie door te komen. Dat was enigszins anders een halve eeuw geleden, toen studeren nog een voorrecht was, maar waar mensen uit gezinnen met een bescheiden inkomen toch van konden dromen. Wilfried Martens, Ludwig Heyde, Chris Vandenbroecke? Het zijn slechts enkele namen, maar het was wel het begin van een nieuwe situatie, die nog versterkt werd doordat steeds meer vrouwen konden gaan studeren. Vandaag zijn sommige faculteiten wel zeer vrouwelijk geworden, maar dat ligt er misschien aan dat jongens niet zo goed meer in het onderwijs passen.

De toekomst onderzoeken

Als men die paar voorbeelden bekijkt, dan merkt men dat de uitkomsten van beleid soms heel anders uitpakten dan men had kunnen voorzien. Tegelijk wordt ook duidelijk dat men de dwarsverbindingen in het maatschappelijke gebeuren niet kan overzien. Als er evenwel iets bewegelijk is, dan is het wel de economie, omdat kleine variaties voor grote veranderingen kunnen zorgen, want nu eens leiden sommige gebeurtenissen tot vertraging of achteruitgang, andere voor een wilde en onoverzichtelijke vooruitgang. Nu kan men ook vragen of dat dan voor het sociale en het politieke, de technologie, het wetenschappelijke vermogen en de cultuur, de levensbeschouwingen geen gevolgen zal hebben. De omvang van de kunstmarkt en van de ontspanningsindustrie geven al een begin van antwoord. Al blijkt vanzelf dat dit zo is, dan nog kan men dat niet altijd goed voorspellen. De lezing van “De la démocratie en Amérique” van Alexis de Tocqueville, laat zien dat de gelijkheid, standsgelijk die hij in de VSA opmerkte gunstige gevolgen had voor het ondernemerschap van de burgers, wat dan weer gevolgen had op geografisch vlak, op demografisch vlak, met politieke en culturele gevolgen. Maar toch vond de Tocqueville, zoals ook Frissen aandraagt, dat die standsgelijkheid tot een grote concensus aanleiding gaf, een milde dictatuur van de meerderheid over de minderheid.  

Wil men de toekomst adequaat kunnen onderzoeken, dan kan men vertrekken vanuit de idee dat de verschillende facetten van een samenleving wel op zichzelf onderzocht kunnen worden, wat moeilijker is, zonder in een model terecht te komen, is de wisselwerking tussen die verschillende domeinen te bekijken. De cultuur? Voor goede marxisten en voor de meeste liberalen is het klaar dat de cultuur een gevolg is van economische prestaties. Maar het blijft bizar dat zogenaamd arm Vlaanderen in de negentiende eeuw zo een bloeiende kunstscène kende, niet enkel aan het einde van de periode, maar ook in de jaren van wat de Biedermeierzeit, de tijd van Koning Willem I,  of iets later, ten tijde van Leopold I en de vroege regeringsjaren van Leopold II. De culturele activiteit in Vlaanderen was namelijk functie van een levensstijl die niet beperkt was tot de bourgeoisie. Bovendien, arm Vlaanderen zelf is nooit een adequate term geweest om de regio te beschrijven, omdat, domweg, Gent en de streek van Eeklo, Mechelen, in die tijd hun eigen economische activiteiten hadden, zoals textiel, meubelmakerij en nog zowat van die dingen.

Stellen we ons niet al te gemakkelijk tevreden met enkele, algemene aannames die we voor waar houden om ons verhaal aan op te hangen? Er zijn nu eenmaal maar weinig syntheses en de meeste hebben een ideologische inslag, liberaal, marxistisch, christelijk. Ik denk dat men aan die werkelijkheid niet voorbij kan, zonder dat dit met zich hoeft te brengen dat we die benaderingen gaan afwijzen, want ze hebben wel degelijk betekenis, al moet men er geen fundamenteel wetenschappelijke betekenis aan hechten. Men zal, zoals historici als Braudel deden, of een Chris Vandenbroecke proberen de contouren en de dynamiek van een bepaalde periode en regio diepgaand te onderzoeken. Vanuit werkhypotheses kan men de verbanden tussen verschillende facetten van een samenleving wel onderkennen. Daaraan ontbreekt dan doorgaans niet het inzicht dat mensen altijd wel mensen blijven maar dat uit zich niet altijd in pasklare modellen, al hebben we, dankzij de wetenschappen en zeker de psychologie, sociologie, antropologie, geschiedschrijving ook, wel instrumenten om aspecten ervan te begrijpen en in de grid van de onderscheiden domeinen te passen. Helemaal lukt dat nooit, maar dan gaat het erom de specifieke details goed te onderzoeken en af te wegen hoe het specifieke een grote invloed heeft op het algemene gebeuren. Geschiedschrijving levert dan weer nieuwe geschiedschrijving op.

Ceteris non paribus

Aangezien de overige factoren niet zomaar gelijk blijven, beïnvloed worden door wat men wel wil wijzigen, doorgaans via een wet, zou het wel eens zo kunnen zijn, dat men als overheid met zichzelf in de knoop komt. Een te voluntaristische overheid die voor elk voorkomend geval wetten en regels wil, riskeert ongeloofwaardig te worden.

Maar de staat kan toch niet van plichtverzuim verdacht worden, heet het dan? Jawel, het kan zijn dat een aantal burgers vinden dat de overheid achterop loopt bij de beschikbare kennis. Maar als de overheid alle beschikbare technologie gaat hanteren, zodat er voor de burger geen ontkomen meer aan is, terwijl er niemand schade ondervindt, maar anderen, die apert wel schade aanrichten – door een bank te laten omvallen bijvoorbeeld – nauwelijks verontrust worden, dan ontstaat een grote animositeit omdat de overheid niet alle inbreuken behoorlijk opvolgt en alleen de gemakkelijke zaken bestraft.

Wie vandaag denkt dat de overheid nog verkeersknopen kan ontwarren, is eraan voor de moeite, omdat al wie er kritiek op geeft vanzelfsprekend terecht handelt, vergeet dat burgers die het eens zijn met een overheidsbeslissing dit inderdaad niet zomaar kunnen uiten. Daarom is het bizar dat men klaagt over het geklaag en gezaag op fora van kranten en bladen, want wie iets positiefs in het geding wil brengen, wordt algauw als onkritisch weg gezet. Wel, ik was en ben nog steeds bedroefd dat de overheid de wensen van St®aten-Generaal en Ademloos heeft ingewilligd en nooit aan mensen heeft gevraagd of ze er echt niet voor waren, voor die derde oeververbinding op de Schelde bij Antwerpen. Ook het kanaal om Zeebrugge vlotter toegankelijk te maken vanuit het achterland, loopt spaak omdat alleen de tegenstanders spreekrecht – in de media - krijgen. In beide gevallen werd de juistheid van de argumenten van de tegenstanders overigens niet ernstig onderzocht.

Slotakkoord

De overheid moet niet altijd optreden, als er problemen opdoemen, maar zij kan niet van verzuim beschuldigd worden als de oplossingen de problemen nog ernstiger maken en daarom tot nietsdoen besluit. Ongewenste neveneffecten kan men niet altijd voorzien, maar men kan er wel tijdig op reageren.

Populisme is in het huidige politieke debat niemand vreemd, maar ook een zich beroepen op wetenschappelijke inzichten en experten, blijkt niet te stoppen. Soms is dat terecht, soms ook niet, maar we weten al langer dat als de term “evidence based” valt, dat elke zin voor kritiek als onwelvoegelijk wordt afgeserveerd. Inzake de geplande onderwijshervormingen is duidelijk geworden dat een aantal parameters overtrokken aandacht kregen en andere net weer niet in de afweging opgenomen worden. De ontplooiing van het individu werd opgeofferd aan de gelijkheid van allen. En dan maar zeuren over Animal Farm (van Orwell) en het feit dat alle dieren gelijk zijn, sommige wat meer. De richting van de onderwijshervormingen was en is anti-ontvoogdend voor de persoon, maar dat leek men niet zwaar te laten wegen. Rechtvaardigheid evenwel kan men niet enkel met grote principes afwegen, de concrete toetsing is minstens zo belangrijk.

Technocraten noch populisten houden daarvan, want beide werken liever met matrices, die vooral duidelijke antwoorden geven, ook al blijken die onmenselijk. Want het beleid op een terrein, bijvoorbeeld gezondheidszorg kan ook op economisch en sociaal gebied ernstige gevolgen hebben. De cartesiaanse benadering schiet hier duidelijk tekort.

Het feit tot slot dat we aan het boek van Paul Frissen verschillende stukken hebben gewijd ligt eraan dat dit boek voor wie over de relatie tussen overheid en burgers, tussen burgers en samenleving en samenleving ten aanzien van de staat wil nadenken, verhelderend en inspirerend uitpakt. Inderdaad pleit veel voor een grotere afstandelijkheid van de overheid, minder geneigdheid in het persoonlijke leven in te grijpen en toch, toch kunnen politici het zich als burgers niet veroorloven onverschillig te blijven voor persoonlijke problemen van burgers. Maar hier komen we toch bij Aristoteles terecht: men moet het juiste midden zoeken  in de wetenschap dat men altijd wel ergens tekort zal schieten. Maar dat risico durven noch technocratische politici noch populisten te nemen: geen fout wordt toegestaan. Behalve aan de lievelingen van het publiek, hoe tijdelijk die volksliefde   ook is.


Bart Haers 

Reacties

Populaire berichten