Geen academische pausen s.v.p.

Dezer Dagen


Alleen de beste prof
Lessen via Youtube


Met dank aan prof. dr. Robbert Dijkgraaf
begrijp ik iets meer van de aard van het licht,
want o.a. daarover gaf hij college bij DWDD.
Maar of hij de enige autoriteit is? Er is ook
nog altid een schare hoogleraren met
bijzondere betekenis die ons veel kunnen
leren en vooral veel zouden kunnen vertellen,
als we het maar konden begrijpen. 
Van wie kreeg u les aan de universiteit? Veel kans dat mensen vandaag de namen van Walter Prevenier of zelfs R.C. van Caeneghem al lang en breed vergeten zijn of menen dat die professor Vandenbroecke misschien wel niet die grote demograaf was waarvoor sommigen hem willen houden. Maar een prof van Harvard, dat moet wel het neusje van de zalm zijn.

Professoren doen onderzoek, dat zich voltrekt afhankelijk van hun eigen discipline en krijgt bovendien lesopdrachten, die hem of haar soms een gelegenheid bieden om inzichten uit te testen in werkcolleges waar dan al eens interessante artikelen uit voortkomen. Zo een prof uit Harvard die geschiedenis zou geven, zou al heel gespecialiseerd moeten zijn om voor alleen al de geschiedenis van de 27 lidstaten van de EU iets zinnigs te vertellen of over de geschiedenis van Zuid-Amerika. Maar het punt is vooral: wat is de beste professor?

Dat hangt van het vakgebied af en hoe iemand bereid is elementaire kennis over te dragen, middels een basisleergang of een Inleiding in de geschiedenis van de Nieuwe Tijden. Prof. W. Brulez werd door zijn studenten niet echt op handen gedragen, al zeker niet in de grote hoorcolleges, want wat we kregen waren detailkwesties, zoals de aanwezigheid van academies en loges in Franse steden tijdens de 18de eeuw. Of demografische ontwikkelingen in Vlaanderen van de zestiende tot de achttiende eeuw en dan vergeet ik nog de evolutie van de graanprijzen. Niets geen omkering van allianties door Louis XV en Maria Theresia van Oostenrijk, terwijl Habsburg en Bourbon elkaar sinds de 16de eeuw mededogenloos hadden bestreden. Maar, zo klonk het, dat kan u vinden in synthesewerken. In het kader van die leergang las ik ook een studie van Lucien Goldman, Le dieu caché. Het leek me volwaardig universitair onderwijs, waarbij de verwerking van de leerstof aan de wijsheid van de studenten werd overgelaten.

Het blijft merkwaardig hoe we met kwaliteit goochelen en ons een beeld menen te kunnen vormen van een "steengoede professor". Neem nu prof. dr. Ludo Milis, mediëvist en af en toe zich wagend aan onbetreden paden, wat voor de discipline een verrekt moeilijke oefening moet heten. Toch vonden studenten van latere jaren hem een lastig heerschap. Of Hugo Soly, die ook al niet te beroerd was onderzoek te starten dat niet geheel binnen de afgebakende percelen te situeren viel. Aan de andere kant had je dan weer hoogleraren die ons uren konden doorzagen over de bul Unigenitus, omdat dit hun specialisme was en waar we dezer dagen nog weinig van afweten.

Ik bedoel maar, binnen dat complexe gebied van de academische geschiedschrijving zou het al raar zijn, mocht men de indruk krijgen dat een prof alles kon vertellen. Walter Prevenier bracht ons in hoor-  en werkcolleges het metier van de historische kritiek bij, terwijl wij in oefeningen de praktijk van het metier leerden aan de hand van concrete kwesties, teksten, archiefbescheiden. Bovendien zou men toch al stilaan moeten weten dat juist de academie in zijn meest performante vorm geen monopolies toelaat, dat professoren inderdaad elkaar graag de loef afsteken, maar die competitie kan er nooit toe leiden dat een boven allen uitsteken zou. Waarom zou Einstein anders in Princeton die hele groep onderzoekers aanvaard hebben? Of waarom zou Robert Oppenheimer in Los Alamos zo een grote topgeleerden hebben samengebracht? Omdat we weten dat verschillende benaderingen pas tot nuttige en werkbare resultaten zouden leiden.

Het kan dus uiteraard leerzaam zijn te luisteren en kijken naar een college naar een prof fysica die een inleidende leergang tot de snarentheorie zou geven, maar als leek zou ik wellicht algauw afhaken, als hij tot ingelezen studenten en collegae zou spreken. Ik zal ook niet beweren dat het niet leerzaam kan zijn naar hoorcolleges te kijken of naar een masterclass, want die mogelijkheden bieden de nieuwe media uiteraard wel en we moeten daar inderdaad ons voordeel mee doen.

Het probleem blijft dat men de idee niet wil loslaten dat er zoiets als de beste prof zou bestaan. Het beste is het wel dat er zeer goede hoogleraren zijn, maar die we niet per se vinden in de Ivy-league, want ook daar is het ondanks alles en ondanks alle middelen die ze  kunnen verzamelen een zaak van kiezen en dan spelen vele factoren mee. De keuze voor deze of gene assistent, voor deze of gene suppleant kan al de weg van vele andere waardevolle krachten afsluiten. Er is iets mis met de academische cultuur als we zo gebrand zijn op het zoeken naar de beste hoogleraar.

Kan men Sam IJsseling tegenover Leo Apostel zetten? De een heeft een ander filosofisch curriculum ontwikkeld dan de ander en beide blijken wat mij betreft best uitdagende professoren. Ik kies om veiligheidsredenen voor professoren die ons al verlaten hebben. Maar ook breng ik deze twee filosofen in het veld die mij alvast toelieten te begrijpen dat er veel in het dagelijkse bestaan en op hogere niveaus in wezen niet te vatten valt. Verwondering en proberen door te dringen in wat zich aandient, zonder te weten of men ooit aan het einde van de rit komt. Nu was ik niet zo een fan van het postmodernisme in de banale vorm die we vaak voorgeschoteld kregen. Maar ik denk wel dat IJseling met zijn aandacht voor de veelvuldigheid van de werkelijkheid, meerduidigheid wel degelijk verder ging dan het relativisme waartoe het postmodernisme aanleiding gaf. Was hij een groot filosoof, een begenadigd lesgever? Volgens zijn studenten was hij dat zonder meer.

In die zin is het Erasmusprogramma van de EU iets bijzonder interessant en zien we studenten voor een doctoraal niet meer per se op de eigen Alma Mater beroep doen. Zoals in de goede tijd van de reizende studenten, Thomas van Aquino, Giordano Bruno, Herder, Schiller ook, zijn er voorbeelden van, die na hun basisjaren naar andere horizonten trokken of op eigen houtje een curriculum in elkaar botsten. Vandaag is het halen van de bachelorgraad en het meesterstuk afleveren een noodzakelijke voorwaarde, maar men mag enige tijd een andere universiteit bezoeken. Zullen Britten na de afronding van de Brexit nog toegang hebben tot Erasmus? Het blijft opvallend hoe mensen vinden dat je tegelijk een universele geest moet ontwikkelen en toch ter plaatse kan blijven. Montaigne bleef doorgaans ook in zijn toren pleisteren en Emily Dickinson, die koos voor een zelfgekozen beperking, eenheid van locatie voor haar leven en gedichten.

Henri Pirenne reisde naar Berlijn waar hij onder anderen bij Ranke ging studeren, maar hij trok ook naar Leipzig en Parijs en werd toonaangevend. Nu kan men natuurlijk vaststellen dat zijn aandacht voor het graafschap Vlaanderen en het Prinsbisdom Luik vooringenomenheid veronderstelde of dat zijn Pirenne-thesis, waarbij hij meende dat de Islam de culturele samenhang rond de Middellandse Zee zou verbroken hebben niet de toets der kritiek meer kan doorstaan. maar het is wel wat kort door de bocht, vrees ik, want men weet toch dat men eerst een iet of wat uitdagende stelling nodig heeft om vervolgens via kritische benadering tot een nieuw overzicht en inzicht te komen.

Dat de inzichten van Henri Pirenne geen referentiewerken meer zijn, mag niet beletten te begrijpen hoe hij de academische geschiedschrijving vooruit heeft geholpen en anders dan sommige collegae van hem aan het eind van de negentiende eeuw nog presteerden, op grond van speculatie tot bepaalde inzichten te komen. De moord op Karel de Goede? Volgens ene Leo Vanderkindere waren de Kerels van Vlaanderen een volk aan de Noordzee die zich bedreigd voelden door de oprukkende onderdrukking van de graven van Vlaanderen, terwijl Veurne en Sint-Winoksbergen al lang en breed deel uitmaakten van dit vorstendom. Het was Pirenne die de geschriften van Galbert van Brugge vond en die kon linken aan andere bronnen en tot de bevinding kwam dat Vanderkindere het allemaal een beetje bij elkaar had gefantaseerd. Pirenne bracht met zijn bronnenuitgaven naar het voorbeeld van de Monumenta Germaniae Historica de kennis van de Nederlanden op een hoger niveau.

Maar was hij dan de enige? We zouden een diepgaande studie van de academische geschiedschrijving aan het eind van de negentiende eeuw moeten aanvatten om daar een betere kijk op te krijgen. Voorlopig kennen veel mensen slechts Pirenne en Huizinga, die gelden als antagonisten, terwijl hun benaderingen best naast elkaar kunnen bestaan, grote bijdragen van beide zijn bekend, maar ze situeren zich op andere terreinen, behalve dat ze na WO I beide zeer bezorgd worden over de toekomst van de samenleving.

Is het voor het verleden al moeilijk aan te geven hoe we de nog bekende namen moeten situeren, dan zal het voor professoren dezer dagen ook wel niet eenvoudig zijn. Professor Robbert Dijkgraaf, die telkenjare op de Nederlandse televisie een publiek college geeft dat te maken heeft met natuurkunde, met het Standaardmodel van de materie of met de astrofysica, weet ons zeer goed mee te nemen in domeinen die doorgaans nogal esoterisch lijken. Toch zijn die oefeningen in vulgarisatie waaraan De Wereld Draait Door alle ondersteuning verleent van belang, want jongeren kunnen er een roeping vinden en mensen met al wat jaren op de teller laten zich nog eens bijpraten.

In plaats dus van die ene autoriteit zou men, denk ik, best kiezen voor meerstemmigheid, de kritiek op de autoriteiten kan immers net zo leerzaam blijken als de soms zelfingenomen zekerheid van de zogenaamde autoriteit. Een voorwaarde blijft dat autoriteit en kritiek even gedreven zijn in hun wetenschappelijke aanpak en rigueur.


Bart Haers 

Reacties

Populaire berichten